December 2017

U-center in een wereld vol social media

Social media zijn een bijzonder fenomeen, zeker ook in het licht van de geestelijke gezondheidszorg.  Mensen gebruiken het om zichzelf te profileren en onder de aandacht te brengen, maar kunnen het ook weer als een boemerang terugkrijgen wanneer het tegenzit. Bij U-center zijn we bekend met beide kanten van de medaille; zowel de glimmende zijde als de doffe kant hebben wij voorbij zien komen.

Social media zijn een mooie manier om aandacht te genereren voor onderwerpen waar we eerst niet over durfden te spreken. Publiekelijk praten over je eigen depressie was vroeger nog een heuse no go, maar vandaag de dag is dit taboe gelukkig doorbroken. 

Aan de andere kant blijken de verschillende social media de katalysator van een nieuwe vorm van verslaving te zijn. Mensen die niet meer zonder hun smartphone kunnen en hun telefoon zelfs in de broekzak voelen trillen terwijl ze die niet eens bij zich hebben! Ongelofelijk en waanzinnig, maar toch echt de waarheid van vandaag de dag. Ervaringsdeskundige en oud-cliënt Marnix Pauwels schreef er het boek “Leg dat #@!ding nou 'ns weg!’ over.

En die titel dekt de lading. Hoewel de industrie er alles aan doet om mensen aan hun telefoon vast te laten kluisteren, moeten we niet vergeten dat we hier zelf de beslissende hand in hebben. Om niet in de trucjes van fabrikanten te trappen en, wanneer het te laat is, het verslaafde gedrag een halt toe te roepen door het telefoongebruik te normaliseren.

Invloeden van buitenaf maken dit lastig. Een continue stroom aan belletjes, whatsappjes, notificaties en e-mailtjes maakt het reguleren van het smartphone gedrag tot een uitdaging. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het feit dat we allemaal altijd en overal vindbaar zijn online. Ook onze behandelaars krijgen hiermee te maken, maar begeven zich wel al snel op glad ijs. Een vriendschapsverzoek van een cliënt op Facebook accepteren? Na werktijden nog appen met iemand die bij deze persoon onder behandeling is? Het klinkt allemaal vrij onschuldig, maar de implicaties zijn lastig te voorspellen en dus vragen we om terughoudendheid van onze medewerkers.

Een goede relatie met de cliënt opbouwen is bij ons erg belangrijk, maar naar onze mening is contact via social media daarvoor allesbehalve noodzakelijk. En ook voor onze medewerkers is dit beter: door niet op dergelijke verzoeken in te gaan, zijn ze beter in staat om het werk ook daadwerkelijk het werk te laten en de grens tussen zakelijk en privé niet te laten vervagen. In de geestelijke gezondheidszorg willen we die scheidslijn toch wat strikter blijven hanteren.

Ingrid Weijnen, Directeur Behandelzaken U-center

 


De smartphone als dopaminedealer


De mail checken, wat vrienden appen, even kijken op social media, een spelletje spelen, en vervolgens ben je een uur verder. Herkenbaar? Smartphoneverslaving wordt een steeds groter probleem in Nederland. Dopamine als onze dagelijkse dope, en de apps als onze dealers.


De Dope

Volgens schrijver en ervaringsdeskundige Marnix Pauwels zijn de ontwikkelaars van apps zich terdege bewust van de verslavende effecten en spelen ze in op de dopaminebehoefte van de consument. De stof maakt deel uit van het beloningsysteem van de hersenen en speelt een belangrijke rol in het vormen van verslavingen. Gokken, seks, drugs, maar ook smartphonegebruik zorgt ervoor dat de stof vrijkomt. Aangezien de meeste apps alleen winstgevend zijn als ze vaak gebruikt worden, spelen ontwikkelaars hier graag op in. Sterker nog, apps worden volgens beproefde psychologische theorieën ontworpen, stelt de auteur van het boek ‘Leg dat #@!ding nou ‘ns weg!’. “Alle piepjes en bliepjes zijn er op gericht om je keer op keer terug te laten keren tot je ‘hooked’ bent”.

Achtergrond

De ‘Skinner-box’ is een goed voorbeeld van hoe deze verslavende theorieën worden toegepast. In de jaren dertig experimenteerde de psycholoog B.F. Skinner met het geven van beloningen door duiven korrels voer te geven wanneer zij op een plexiglazen wandje pikten. Hierbij was het belangrijk dat ze voor een bepaalde periode, bijvoorbeeld een minuut, niet op het wandje pikten, anders kregen ze geen beloning. Dat zorgde ervoor dat de duiven een periode wachtten tussen het pikken door. Bij een andere groep was er geen vaste tussenpauze van een minuut, maar was de pauze willekeurig. Het resultaat was dat een van de duiven in 14 uur zo’n 87.000 keer pikte, waarbij hij maar in één procent van de gevallen een beloning kreeg. Een parallel met het verversen van de Facebook- of Twitter-app is snel getrokken. Je hoeft niet altijd een beloning te krijgen, en één variabele beloning is al genoeg. “Bekijk je telefoon maar eens als gokkast, altijd winnen is niet leuk. Daarom blijven we kijken of we al een ‘like’ of ‘share’ binnen hebben, zelfs als we alleen de tijd willen weten.”

De praktijk

Marnix Pauwels vindt het kwalijk dat mensen zo onbezonnen met de smartphone omspringen. Hij vergelijkt het apparaat in zijn boek met drank, opium, obsessief shoppen en gokken. Als voormalig drank-, drugs-, en smartphoneverslaafde weet hij waar hij het over heeft. “Begrijp me niet verkeerd, ik heb zelf gewoon een smartphone en vind het een geweldig apparaat, maar tegenwoordig is het zo’n diep onderdeel van ons leven geworden. Daar zijn wij als mensen helemaal niet tegen gewapend”. In de periode dat hij zelf opgenomen was bij U-center voor zijn depressie en verslavingen waren telefoons niet toegestaan voor patiënten, en dat viel hem zwaar. “Mijn smartphoneverslaving was op dat moment mijn minste probleem, en toch was ik er twee dagen de weg van kwijt. Ondanks dat ik geen telefoon bij me had voelde ik hem wel steeds trillen in m’n broekzak, iets wat ‘phantom vibration syndrome’ wordt genoemd.” Net als bij de meer ‘old-fashioned’-verslavingen zijn mensen die daadwerkelijk verslaafd aan hun scherm zijn, erg moeilijk aan te spreken op hun gedrag. Marnix, werkzaam met verslaafden, herkent dit: “Mensen maken zich er vaak vanaf met een grapje, en vragen me of ze dan maar terug moeten naar het stenen tijdperk.”

Mentale impact

Overmatig smartphonegebruik heeft grotere gevolgen dan alleen de smartphoneverslaving op zich. De NOS kopte de afgelopen maand nog met: “Maakt een smartphone jongeren echt angstiger?”. Onderzoek hiernaar staat nog in de kinderschoenen en een één op één relatie is nog niet keihard aangetoond, maar door de continue blootstelling aan social media worden jongeren wel onzeker. Ook Marnix merkt dit. “Mensen worden jaloerser en onzekerder door de het beeld van perfectie dat vaak geschetst wordt op social media. Het beeld ontstaat dat iedereen een leuker leven heeft dan jij. Dit is zeker voor jongeren funest.” Bewustwording is daarom belangrijk. “Je moet jezelf blijven afvragen: heb jij je telefoon in de hand, of je telefoon jou?”
Marnix geeft tot slot nog een aantal tips om je smartphonegebruik in de perken te houden. “Hou je gebruik een tijdje in de gaten en gebruik bewust. Je hoeft niet af te vinken wanneer en hoe vaak je de telefoon gebruikt, maar vraag je wel elke keer bewust even af of het écht nodig is de telefoon vast te pakken. Vraag je ook af waarom je de telefoon grijpt. Ben je op zoek naar wat afleiding, of naar wat waardering? Op deze manier zal je merken dat je gebruik minder snel uit de hand loopt.”

 


Marnix Pauwels


Mijn cliënt en ik:
“Zakelijk en privé scheiden leer je gaandeweg”

Werknemers van U-center zijn niet alleen professionals, maar bovenal ook gewoon mensen van vlees en bloed. Emotioneel intens betrokken raken bij het verhaal van een cliënt, iemand die ook buiten de kliniek met een behandelaar af wil spreken voor een drankje; privé en zakelijk kunnen al snel door elkaar gaan lopen. Maar hoe voorkomt iemand dat dit gebeurt? Regiebehandelaar Ingrid Leenders vertelt erover.

Ze heeft het zelf ook weleens meegemaakt: iemand die ze een paar weken intensief heeft behandeld en die haar, in de loop van de behandeling, vraagt of ze na afloop eens een drankje kunnen gaan drinken. “Dat kan natuurlijk niet”, erkent Ingrid Leenders direct. “Niet dat die vraag op dat moment geheel ongepast is; het gebeurt dat je weleens een klik hebt met cliënt. Iemand waar je, als je ze niet in een professionele setting tegen was gekomen, bevriend mee zou kunnen raken.” Maar juist het feit dat dit onder werktijd gebeurt, maakt dat dit een no go is. “Het is zaak om dit direct duidelijk te maken. Dat je aangeeft dat dit in een andere situatie een erg gezellig idee was geweest, maar dat je in dit geval toch echt zijn of haar behandelaar bent.”

Ook heftige verhalen kunnen tot ver na werktijd door het hoofd blijven spoken. Omdat iemand zich erin herkent, of omdat hetgeen geschetst zo heftig is dat een behandelaar het hoe dan ook mee naar huis neemt. “Een goed team hebben is in dat kader essentieel. Dat je er met elkaar over kunt praten, dat je elkaar daarna in de gaten houdt.” Want thuis erover praten blijkt vaak lastig. “Je bent gelimiteerd in wat je over een cliënt kunt vertellen. Je vertelt waar je mee zit, maar een partner of vriendin gaat vragen stellen, waar je vervolgens toch bijna geen antwoord op mag geven. En dat leidt weer tot frustraties. Thuis kun je dus maar beperkt open zijn over wat je in de kliniek allemaal ziet en hoort.”

Afstand en nabijheid
Volgens Ingrid Leenders is de verhouding tussen privé en zakelijk iets wat je gaandeweg het uitoefenen van het vak leert. “Hoe ga je met verhalen om die je in je eigen geschiedenis raken. Hoe kun je ervoor zorgen dat je wel betrokkenheid toont ten opzichte van iemand, terwijl je tegelijkertijd een gepaste mate van afstand houdt?” Dat is per situatie afhankelijk, zo weet ze inmiddels. “Wanneer je cliënt het heeft over een bepaalde mentale aandoening, heeft het weinig zin om dit op jezelf te betrekken. Maar als een cliënt bijvoorbeeld klaagt over een puberzoon die weer eens te laat was thuisgekomen, kun je wel meer aansluiting genereren door aan te geven dat je zelf ook puberkinderen hebt en dat je dus precies begrijpt waar zo iemand op dat moment mee zit.” Toch is over het algemeen voorzichtigheid met ‘self-disclosure’ geboden.

Als het welzijn van de cliënt daarbij maar centraal staat. “Het moet niet zijn dat je je eigen sores bij de ander neerlegt natuurlijk.” Ga dan bij je collega’s te rade. “In dat kader is het goed om ook tussendoor eens aan elkaar te vragen hoe het nu gaat. En als je aan je eigen instelling twijfelt, spar dan eens met een teamlid daarover.”

Zelf heeft ze veel aan de woon-werkafstand die ze dagelijks aflegt. “Ik moet 35 minuten autorijden voordat ik thuis ben. In de tussentijd kan ik mooi ontkoppelen.” Maar dat ze aan ruim een half uur genoeg heeft om álles van zich af te laten glijden is ook weer niet het geval. Ingrid Leenders: “Het is een utopie om te denken dat we niets mee naar huis nemen.”

Ingrid Leenders

Bel
Voor telefonisch contact kunt u bellen met:

0800-222 444 6

Op werkdagen:  09-20.00
Op feestdagen: 10-18.00
 
Mail
Agenda

Weten of het klikt?

Ontmoet onze medewerkers en krijg zekerheid. Bezoek een van de voorlichtingsavonden of een open dag. Kies zelf het moment.

Inschrijven Open Dagen voor professionals

Voorlichtingsbijeenkomsten
voor cliënten
sluiten