Nieuws & achtergrond

Zomer: ideale periode voor een mental clinic

De helft van de Nederlanders is bereid zijn vakantiegeld inzetten om te werken aan zijn geestelijke gezondheid. Volgens Ingrid Weijnen, directeur behandelzaken bij U-center, biedt dat kansen voor werkgevers die stress te lijf willen gaan binnen hun bedrijf, vooral in de rustigere zomerperiode. En doorverwijzers kunnen de zomerperiode aangrijpen om cliënten te wijzen op bezinning.

Kan een burn-out zich sneller manifesteren tijdens de zomervakantie?

De ideale werknemer, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel en dito plichtsbesef, is het meest vatbaar voor een burn-out. Is zijn of haar energiehuishouding in disbalans dan kan de vakantieperiode zeker de spreekwoordelijke druppel zijn die de emmer doet overlopen.  Door het plichtsbesef blijven deze werknemers zich betrokken voelen bij het bedrijf en maken zich bijvoorbeeld zorgen over hun overdracht. Ook is de vakantie een ijkpunt, een stip op de horizon – het moment waarop rust gevonden moet worden. Al met al ligt er dan dus veel druk op de vakantieperiode, en komen deze mensen aan uitrusten niet toe. In het onderwijs zie je bijvoorbeeld dat burn-out klachten zich aan het begin van het nieuwe schooljaar bij docenten het vaakst manifesteren.

Hoe kan iemand in de zomer periode wel goed tot rust komen?

Om overspannenheid of een burn-out in te dammen is een goede mix van inspanning, ontspanning en rust het devies. Mensen hebben hier niet altijd een goed beeld van, waardoor een ontspannende activiteit toch inspannend blijkt te zijn. Neem bijvoorbeeld zwemmen. Dat kan ontspannend zijn, maar zodra er een prestatiecomponent bij komt kijken (zo snel mogelijk 100 baantjes), maakt dat de activiteit juist inspannend. Ook een risico voor hardlopers. Een uitstekende methode om je energiehuishouding op orde te krijgen, zolang je niet continue je prestaties wil verbeteren. Mensen moeten dus de juiste balans tussen rust, ontspanning en inspanning vinden, en vooral – al dan niet met hulp -  bij zichzelf te rade gaan: waarom kom ik niet tot rust? Bij een burn-out  spelen doorgaans ook onderliggende problemen op privé- persoonlijkheidsgebied.

Vakantie als bezinningsperiode?

Precies. In de weken waarin je even los staat van je werk zijn kun je bij jezelf te rade te gaan of dat wat je doet je gelukkig maakt. Sta je eigenlijk wel op de goede plek in je leven? Hoe ziet je ideale werk-privé situatie eruit? Dat soort aspecten. De antwoorden kunnen confronterend zijn, maar op basis daarvan kun je tenminste plannen maken voor het aankomende jaar. Je komt er in ieder geval sterker door in je schoenen te staan.

Kunnen werkgevers en doorverwijzers daar een rol in spelen?

Uit het onderzoek dat we hebben gehouden blijkt dat 50 procent van de Nederlanders vakantiegeld opzij wil leggen voor de behandeling van een psychisch probleem. Die financiële opofferingsbereidheid is veelzeggend. Werkgevers kunnen hier heel goed op inspelen. Nu al zie je dat de rustige periode wordt aangewend voor summer clinics – sessies om kennis op bepaalde gebieden bij te spijkeren. Maar ‘mental clinics’ zijn minstens zo belangrijk. Een werknemer die fris na zijn vakantie begint zal immers veel sneller nieuwe kennis tot zich nemen. Voor doorverwijzers is de zomerperiode ook een kans om een cliënt het advies mee te geven om na te denken. En wanneer hij of zij daar niet uitkomt, contact te zoeken met een specialist.


Jim van Os: Doorverwijzen is een kunst

De huisarts krijgt in de nieuwe ggz een cruciale rol. Hij moet straks alle ggz-zorg indiceren. Nu is de beoordeling van ggz-aandoeningen behoorlijk complex. In dit kader zag recent het eindadvies van de werkgroep Zorgzwaarte (ZVZ) het licht. De werkgroep, die bestaat uit leden van zorgverzekeraars, ministeries en vakverenigingen, presenteerde het zorgzwaartemodel 1.0, een eerste aanzet van een beoordelingstool voor de huisarts. Met het model heeft de huisarts eindelijk iets in handen om adequaat, effectief en correct mensen door te verwijzen binnen de ggz. Helaas klopt het model (nog) van geen kant.
Het model berekent op basis van behandelingen die in het verleden zijn verricht. Het is bekend dat psychotische behandelingen tot de duurste behoren en dat er een enorme variabiliteit bestaat in zorgbehoeften en behandelintensiteit. Dat geldt ook voor behandelingen voor een depressie of een burn-out. En daar wringt de schoen. Wie de verantwoording van het model bestudeert komt al snel tot de conclusie dat het model statistisch gezien overpowered is – er zijn meer dan 8000 behandeltrajecten opgenomen. De determinatiecoëfficiënt – een getal dat iets zegt over de betrouwbaarheid van het aantal variabelen – is in het zorgzwaartemodel verrassend laag: 1,8 procent. Bij de data-analyse wordt ook geen gebruik gemaakt van de behandelaar en afdeling per instelling. Op basis van tal van variabelen, waarvan de onderlinge samenhang ontbreekt, krijgt de huisarts een ggz-indicatie. Maar het is dan maar de vraag of die juist is. Het model voorziet niet in het verlangen van de eerstelijnszorg om de ggz te indiceren. Het wordt tijd dat Nederland kiest voor een valide wetenschappelijk model.

Jim van Os is hoogleraar Psychiatrische Epidemiologie aan het UMC in Maastricht en lid van U-centers Wetenschappelijke en klinische Adviesraad (WAR). Onlangs schreef hij ‘Zorgzwaartemodel 1.0: naar een model van random toewijzing?’, gepubliceerd in het Tijdschrift voor de Psychiatrie, februari 2014.


Hoe effectief is een behandeling bij U-center?

Iedere ggz-instelling in Nederland meet de effectiviteit van behandelingen. U-center meet niet alleen het effect direct na de klinische opname, maar brengt de resultaten over een langere periode in kaart. De resultaten zijn veelbelovend.

Voor effectiviteitsonderzoek in de ggz wordt de ROM (Routine Outcome Monitoring) in heel Nederland toegepast. Veel voorkomende methodiek is het laten invullen van een vragenlijst. Eén van die vragenlijsten is de BSI, de Brief Symptom Inventory. De BSI is een klachtenlijst die psychische en/of lichamelijke symptomen van de respondent inventariseert. Zo wordt inzichtelijk in welke mate de respondent last heeft van een probleem gedurende de afgelopen week, inclusief de dag van invullen. De lijst bestaat uit 53 vragen, die gescoord worden op een schaal van 0 (helemaal niet) tot 4 (heel veel). Vragen gaan bijvoorbeeld over angstgevoelens, depressieve klachten of cognitieve problemen.


Klik om de afbeelding in het groot te bekijken

Meten na behandeling
Bij U-center vullen cliënten bij aanvang en beëindiging van de opname de BSI in. Maar de kliniek wil ook weten hoe het met cliënten gaat na hun behandeling. De effectiviteit van een behandeling wordt immers beter zichtbaar wanneer iemand blijvend minder hinder ondervindt van psychische klachten, of een terugval in een burn-out of verslaving weet te voorkomen. Op basis van de meest recente resultaten zijn de effecten tot één jaar na behandeling zichtbaar.

Blijvend laag klachtenniveau
U-center kent sinds 2012 een klinische en ambulante behandeling, beide van zeven weken. Vanaf september 2012 hebben 465 cliënten de BSI ingevuld bij aanvang van hun behandeling. Bij die meting scoorden ze  gemiddeld  1,28 – dat is bovengemiddeld vergeleken met patiënten in de ambulante zorg. Na de klinische fase vulden 422 cliënten de vragenlijst in. Dat leidde tot een significante daling van het klachtenniveau: een BSI-score van 0,70 is beneden gemiddeld voor patiënten in de ambulante zorg. De volgende metingen waren na de ambulante fase, zes maanden na de klinische opname en 12 maanden na de klinische opname. De BSI-score bleef constant (0,86, 0,70 en 0,75; verschillen niet-significant). De afname van psychische en/of lichamelijke klachten blijft dus tot minstens één jaar na Epen gehandhaafd (zie figuur 1).

Hoofd onderzoek Dr. Ingrid Candel: ‘Resultaten hebben niet tot aanpassingen in het behandelprogramma geleid’

Ingrid Candel is als postdoc verantwoordelijk voor wetenschappelijk onderzoek bij U-center. ‘De resultaten zeggen dat onze behandeling na een jaar voor veel cliënten nog steeds effectief is. Analyse van drop-outs hebben we echter nog niet gedaan. Het is belangrijk om te weten waarom deze cliënten zijn gestopt met het invullen van de vragenlijst. In de toekomst is met deze onderzoeken veel meer mogelijk. Uiteindelijk gaat het erom of een cliënt tevreden is met de behandeling, los van de BSI-score. En daar geeft de BSI geen inzicht in. Dat kan wel door de ROM-metingen persoonlijker te maken. Dan weet je met welk doel iemand een traject is ingestapt en kun je aan de hand daarvan ook meten of dat doel bereikt is. Op basis daarvan kunnen wij dus specifieke behandelplannen aanpassen. Maar op meer generiek gebied zitten wij op een goede lijn. De resultaten tot nu toe hebben niet tot een aanpassing in het behandelprogramma geleid.’


Week 14: afscheid nemen

Veertien weken intensive cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten wij steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week 14 van de behandeling.

Het einde van week 14 betekent het einde van de reguliere behandeling door U-center. De laatste week van de behandeling staat dan ook in het teken van afscheid nemen. Daarbij horen een aantal rituelen, aldus teamhoofd Ambulante Behandeling Bert Rademaker. ‘Een ritueel zorgt voor een moment dat je je later herinnert. Daardoor helpt het bij de bewustwording. De cliënt herinnert zich waarschijnlijk nog goed hoe hij zich voelde bij de start van de behandeling. Dankzij de rituelen onthoudt hij ook hoe hij ervoor staat in de laatste week. Dat helpt in de periode die daarop volgt. Want dat de behandeling ophoudt, betekent niet dat er geen lastige momenten meer komen.’

Opgeladen
De cliënt schrijft tijdens de laatste weekbijeenkomst een brief aan zichzelf. Daarin staat waar hij denkt en hoopt te staan over drie maanden. De behandelaar stuurt die brief na drie maanden naar hem toe. ‘Op dat moment ligt de behandeling nog vers in het geheugen, maar de voormalig cliënt is al wel geconfronteerd met alle aspecten van het dagelijks leven. Kortom, een goed moment om even terug te denken. Wat gaat goed, wat kan beter en wat heb je ook alweer geleerd tijdens de behandeling?’ Een ander ritueel tijdens de afscheidsbijeenkomst staat symbool voor de manier waarop de cliënt zichzelf heeft opgeladen bij U-center. ‘We vragen of mensen een kristal willen uitkiezen dat bij hen past. Dat is tegelijkertijd een aanleiding om iets over jezelf te vertellen. In de laatste week komt de groep die samen gestart is namelijk nog een keer bij elkaar. Ook daarbij hoort een bewust afscheid.’

Een fase
Na veertien weken eindigt de behandeling. Uiteraard bekijkt de behandelaar of de ex-cliënt zelfstandig verder kan, of dat er een vervolg nodig is. ‘Soms pakken wij dat op, in andere gevallen verwijzen wij door. In elk geval laten wij de professional die destijds doorverwezen heeft naar U-center weten hoe deze persoon ervoor staat. U-center is een belangrijke fase in iemands leven; daarna gaat hij weer verder. Daarom is het belangrijk dat de omgeving weet wat er speelt.’

Loslaten
Ook voor behandelaars kan het lastig zijn cliënten los te laten. ‘Begrijpelijk, maar het is een must. De U-turn is gemaakt, de cliënt heeft tools gekregen om in de praktijk te oefenen met het geleerde.

In de U-supportgroepen kan hij zijn ervaringen blijven delen. Daarmee is hij weer de autonome regisseur over zijn eigen leven.’ PPORT Na de behandeling van 14 weken is er U-support. Oud-cliënten kunnen in hun eigen regio wekelijks een bijeenkomst bijwonen. Het doel is om ervaringen en uitdagingen van het dagelijkse leven met elkaar te delen. De U-support groepen zijn gratis te bezoeken en staan onder begeleiding van een therapeut.


Ingrid Weijnen: ‘Door effectiviteitsonderzoek blijven we in contact met oud-cliënten en hun gezondheid’

Het is prima om met ROM-metingen de effectiviteit van je behandelingen te onderzoeken. Maar volgens Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen is er meer dan dat. Ze helpen het risico op terugval te verlagen en om tijdig een hulpaanbod te doen.

Vergelijkt U-center de onderzoeksresultaten met andere klinieken?
‘Dat is helaas nog appels met peren vergelijken. Je kunt in het geval van middelenafhankelijkheid niet spreken over ‘de verslavingszorg van Nederland’. De benchmark in Nederland is te breed gedefinieerd. Verslavingszorg voor dak- en thuislozen is heel wat anders dan die voor mensen die werk hebben. Het is van belang om de doelgroep goed te omschrijven.’

Hoe kijkt u tegen de huidige cijfers aan?
‘Het is een goed signaal dat de BSI-score, als een van de ROM-maten, een jaar na behandeling op hetzelfde significant lagere niveau als bij start van de behandeling blijft. Maar wij kijken niet alleen naar het cijfer. Wanneer we kostenefficiënt willen werken, moeten wij terugval voorkomen. En in het geval van terugval moeten wij zorgen voor een snelle korte behandeling om de draad weer op te pakken. De BSI zegt niets over hoe iemand zich voelt op het werk, of over persoonlijke omstandigheden die grote invloed kunnen hebben op terugval. Vandaar dat we onze cliënten langere tijd willen volgen, en ook andere vragen toevoegen aan het ROM-pakket.’

Wat is de ambitie van U-center als het gaat om effectiviteit?
‘Wij willen de metingen vooral uitbreiden, zodat ze een aanvulling vormen op de nazorg voor cliënten binnen U-support en thuis. Daarin werken wij toe naar monitoring die is toegespitst op het individu. Naast algemene vragen over de geestelijke gezondheid komen er ook sociale en werkgerelateerde aspecten in naar voren. Die ontwikkeling zien wij ook terug in de ontwikkeling van de onderzoekmethodiek. Zo wordt er nu gewerkt aan de PROM, een aanvulling op de ROM waarin de P staat voor Patiënt. Daarbij onderzoek je niet alleen met standaard vragenlijsten, maar ook de variabelen die de cliënt persoonlijk belangrijk vindt voor zijn herstel.’

Hoe helpt zo’n meting de oud-cliënt?
‘Eigen regie is heel belangrijk. Vergelijk het met koorts of een griepje. Op zo’n moment kun je temperaturen, paracetamol nemen en als de klachten aanhouden contact opnemen met de huisarts. Dat soort middelen is ook in te zetten in de nazorg bij psychische klachten. Wij geven oud-cliënten extra middelen in handen om zijn of haar situatie zelf te beoordelen en indien nodig hulp in te schakelen. Bijvoorbeeld met een paar extra sessies, ondersteuning of aanvullende consulten via e-health. Een regelmatige psychische check up.’


Eigen regie en vrije keuze

In de laatste tien jaar zijn de kosten van de ggz relatief het hardst gestegen van de hele gezondheidszorg. Om het tij te keren heeft minister Schippers een nieuwe indeling gemaakt, met een prominente rol voor huisartsen. Zij gaan samen met praktijkondersteuners meer behandelingen uitvoeren. Anders gezegd: het kabinet wil dat psychische problemen eerder aan de oppervlakte komen, zodat een lichte behandeling de klachten in de kiem kan smoren.
 
Deze intentie is wat mij betreft de goede. Huisartsen zijn logische poortwachters bij psychische klachten. Ze kennen hun patiënten doorgaans beter dan andere zorgverleners, en hebben beter begrip van de context waarbinnen klachten ontstaan. Ze hebben al een vertrouwensrelatie met hun patiënten, ze kennen de achtergrond. 
 
Voor patiënten is het genoegen vaak wederzijds: de praktijk zit altijd in de buurt, de drempel is laag. Ik zie hierin ingrediënten voor snel herstel. Bovendien zal eerder een situatie ontstaan waarin patiënten partner zijn in het herstelproces, en niet het lijdend voorwerp. Het is een grote stimulans voor zelfredzaamheid na de behandeling. En als het probleem te complex is voor de huisartsenpraktijk? Dan kan een huisarts helpen om een ggz-instelling te vinden die past bij een patiënt. Met andere woorden: de regie bij de patiënt en vrije keuze ondersteunen. 
 
De motivatie en keuzes van een patiënt zijn namelijk zeer van invloed waar het gaat om snel en voorspoedig herstel. Laten we daar dus verder op bouwen. Ik ben ervan overtuigd dat de kosten dan evenredig zullen afnemen.    
 
Erno Kleijnenberg, bestuursvoorzitter ONVZ Zorgverzekeraar

Hoe organisaties de strijd aangaan met stress

Hoe ontstaat verzuim? Wat bieden werkgevers om klachten als burn-out, depressie en stress tegen te gaan? U-center hield een peiling onder ruim 1000 Nederlanders.
 
Met een nationaal programma wil minister Asscher (SZW) in 2014 de strijd aan met langdurig verzuim. Op dit moment heeft 40 tot 50 procent van langdurig verzuim een psychische oorzaak, terwijl dit een paar jaar geleden nog ‘slechts’ 35 procent was. Te hoge werkdruk is een van de meest gerapporteerde arbeidsrisico’s. Om te achterhalen hoe Nederlanders omgaan met verzuim, hield U-center een peiling.
 
Gesprek aangaan
Uit het onderzoek blijkt dat 44 procent niet weet wat hun werkgever biedt tegen langdurige klachten. Bij 33 procent gaat de werkgever het gesprek aan, en in 4 procent van de gevallen worden de psychische klachten genegeerd. Werknemers lijken een ‘veiligere’ omgeving te kiezen om hun psychische klachten te delen. 
 
Op de vraag: ‘wie helpt je als je niet zo lekker in je vel zit’, noemt 60 procent van de respondenten zijn of haar partner. Bij één op de vijf respondenten zijn het collega’s of leidinggevenden die hulp bieden.
 
Ziekmelden amper aan de orde 
Een andere vraag peilde de mate van ziekmelden als gevolg van psychische klachten. Het overgrote deel van werkend Nederland (94%) meldt zich nooit ziek wanneer hij of zij zich somber voelt. Van de 6 procent die dit wel doet, is de meerderheid jong – tussen de 18 en 24 jaar.
 
Wat vindt U-center?
Ingrid Weijnen, psychotherapeut en -directeur behandelzaken bij U-center adviseert organisaties om scherp te blijven. ‘Vermoedelijk meldt men zich weinig ziek uit angst om werkloos te worden. Door de crisis hebben mensen het gevoel harder te moeten werken om aan boord te blijven. Let dus goed op het gedrag van werknemers en ga het gesprek aan als je een hoog stressniveau constateert’. Weijnen benadrukt dat juist sterke werknemers geveld kunnen worden door een burn-out: ‘Iemand die alles op de schouders neemt en nooit klaagt heeft een grotere kans om te veel hooi op de vork te nemen.’


Week 13: loslaten en doorgaan

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week dertien van de behandeling.

Deze een-na-laatste week van de behandeling staat in het teken van loslaten. Voor Zita Meijer, psycholoog en behandelaar binnen het ambulante behandelteam in Driebergen, is het zowel een betrekkelijk rustige, als een opwindende week. ‘Je zou kunnen zeggen dat er voor de behandelaars relatief weinig gebeurt in deze week, omdat de cliënt minder directe contactmomenten heeft met zijn of haar therapeut. Echter: door het minder frequente contact gebeurt er juist heel veel. Cliënten schrijven in deze week twee blogs, waar wij als behandelaars op reageren. Week dertien is bij uitstek geschikt om de balans op te maken: hoe gaat het, nu de behandeling bijna afloopt? Wij kijken kritisch hoe het cliënten vergaat om relatief onafhankelijk van U-center te functioneren.’

Spannende week
Daarin zit ‘m dan ook de opwindende kant van week 13. Kunnen cliënten de geleerde patronen bestendigen, nu ze meer en meer worden losgelaten door hun behandelaars? Meijer: ‘Ik zie deze week als een goede oefensituatie, die veel belangrijke informatie kan opleveren. Omdat ik nauw betrokken ben bij cliënten is dit voor mij als behandelaar ook een spannende week. Redt mijn cliënt het met minder ondersteuning van onze kant?’

Persoonlijkheidsproblematiek
Tijdens de ambulante fase van de behandeling blijkt soms dat er extra begeleiding gewenst is. Meestal is een extra individueel gesprek met een behandelaar al genoeg en soms is aanvullende vervolgtherapie in de buurt nodig. Week 13 is hét moment om een reële inschatting te maken. ‘Voor iedereen is er U-support, de zelfhulpgroep waar oud-cliënten altijd op terug kunnen vallen’, verduidelijkt Meijer. ‘Maar die ondersteuning door lotgenoten onder leiding van een professional is niet altijd genoeg. Zo is het heel goed mogelijk dat, nadat een cliënt bijvoorbeeld heeft leren omgaan met zijn alcoholverslaving, hij pas in de ambulante fase tegen specifieke persoonlijkheidsproblematiek aanloopt. Die confrontatie kan de cliënt in lastige situaties brengen en blijvende abstinentie moeilijk maken. Daar spelen we op in aan het einde van de reguliere behandeling.’

Aanvullende therapie
‘Stel dat de persoonlijkheidsstoornis  altijd al aanwezig was en ook onderkend’, zegt Meijer. ‘Maar de problemen die deze stoornis veroorzaakte, werden door de cliënt als het ware “opgelost” door middel van alcoholgebruik. Het is goed mogelijk dat de cliënt – eenmaal abstinent van alcohol – in de thuissituatie vaker aanloopt tegen dergelijke onderliggende problematische aspecten. De interactie met partner, kinderen, collega’s of de werkgever stelt hem of haar voor uitdagingen, waarvoor de cliënt misschien eerder in alcoholgebruik “vluchtte”. Ons advies aan de cliënt kan in zo’n geval zijn om verder te gaan met een behandeling die specifiek is gericht op de eventuele persoonlijkheidsstoornis. Ook al is die vervolgbehandeling misschien niet in U-center, we proberen wel om een zo intensief mogelijke overdracht te verzorgen. Week 13 is, kortom, een heel zinvolle week.’


Gratis download ‘Zo ga je stress in je bedrijf te lijf’

U-center hield een peiling over de omgang van Nederlanders met verzuim door psychische klachten. De belangrijkste antwoorden zijn weergegeven in het rapport ‘Zo ga je stress in je bedrijf te lijf'
 
HR-specialisten aan het woord 
Naast alle statistieken beschrijft het rapport de meningen en visies van HR-specialisten. Willem van Rhenen, professor Engagement and Productivity aan Nyenrode en directeur Onderzoek en Ontwikkeling bij ArboNed beschrijft in een column belangrijke resultaten uit zijn proefschrift ‘From stresss to Engagement’. Daarnaast komt executive coach Rein Sevenstern van Hay Group aan het woord. Hij greep zijn verzuimperiode aan om persoonlijk te groeien in zijn beroepsmatige leven. 
 

'Mijn werkgever had het kunnen voorzien'

Keihard werken en met een burn-out thuis komen te zitten. Nicole Wessel overkwam het tot drie keer toe en werd behandeld in U-center. ‘Het had met mijn jeugd te maken, mijn persoon, maar ook met mijn werkgever.’
 
Hoe kon jij tot drie keer toe een burn-out krijgen?
 
‘‘Toen ik klaar was met mijn studie, ben ik meteen fulltime aan de slag gegaan in het onderwijs. Al snel kwam ik overwerkt thuis te zitten. Een paar jaar later gebeurde dat nog een keer. Dit mondde uit in een flinke depressie. Toen ik jaren later de signalen weer voelde komen, besloot ik aan de bel te trekken. Ik heb onderzocht waar mijn kwetsbaarheid vandaan kwam. Daarvoor moest ik volledig afstand nemen van de situatie om naar mezelf te kunnen kijken. Het is een samenspel, weet ik nu. Ik ben een gevoelig persoon en heb geen makkelijke jeugd gehad. Keihard werken deed ik in de hoop gezien te worden.’

In hoeverre droeg je werk bij aan je burn-out?
 
‘Ik heb mezelf over de kop gewerkt, maar mijn werkgever had het kunnen voorzien. Ook mijn collega’s gingen eraan ten onder. We vielen bij bosjes neer en moesten elkaars werk opvangen. Was de ene collega hersteld, dan kwam de ander thuis te zitten. Wat ook niet meehielp, was dat er steeds nieuwe leidinggevenden kwamen die ons en het project moesten leren kennen. Dan is het natuurlijk ook moeilijk om signalen van werknemers op te vangen.’

Ben je nog steeds kwetsbaar voor een burn-out? 
 
‘Ik ken mezelf en mijn grenzen beter, maar het blijft zoeken. Nu ik bezig ben een eigen bedrijf op te starten, vind ik het extra spannend om te ontdekken of ik mijn grenzen kan blijven bewaken. Op den duur zou ik best graag weer parttime in loondienst gaan, maar niet zonder me te verdiepen in de bedrijfscultuur. Werkgever en werknemer hebben een gedeelde verantwoordelijkheid. Ik ben ervan geschrokken hoe weinig sociaal sommige organisaties met hun personeel omgaan. Dat heeft niet zozeer te maken met onwil, wel met het systeem van die organisaties.’

Hoe wordt tegen mensen met burn-out aangekeken? 
 
‘Er rust een stigma op psychische aandoeningen. Mensen kiezen ervoor om er dan maar het zwijgen toe te doen. Op deze manier is het moeilijker om dingen te veranderen. Om te laten zien dat mensen meer zijn dan hun ziektebeeld, heb ik met een groep vrouwen de voorstelling “De Psyche-logen” gemaakt. Het is een theaterstuk over vijf krachtige vrouwen die worstelen met psychische kwetsbaarheid. De voorstelling heeft inmiddels zijn vuurdoop gehad met vier volledig uitverkochte voorstellingen.’
 

Winter Anti Depression Show

Onder leiding van Valentijn Byvanck, directeur van kunstcentrum Marres in Maastricht, en verschillende experts uit het vakgebied, verrijst vanaf 18 januari 2014 de Winter Anti Depression Show (WADS) in Maastricht. Een innovatieve tentoonstelling waarin zorg en cultuur met elkaar versmelten. WADS beweegt zich tussen festival, biënnale, carnivale en kuuroord.

Alleen al in Nederland hebben één op de zestien mensen in het herfst- en winterseizoen last van somberheid, vermoeidheid,
futloosheid en een toegenomen eetlust. Het behandelen van deze klachten gaat verder dan de gangbare lichttherapie. WADS biedt - als vernieuwende kunsttentoonstelling - een nieuw perspectief op de behandeling van de winterdepressie. Byvanck: ‘In de winter hebben onze zintuigen weinig te doen. Er is minder licht, geluid, geur en beweging. Met deze tentoonstelling willen we die zintuigen een boost geven. We richten kamers in waar je zintuiglijk wordt ondergedompeld met geluid, licht, beweging gevoel en geur. We roepen de zomer op.’

Joie de vivre
Er is een samenwerking met kunstenaars en medisch specialisten. WADS onderzoekt de behandelperspectieven buiten de marge en combineert zorg en cultuur. Daarbij wil de tentoonstelling een breed publiek in contact brengen met hedendaagse kunst en design die een positief effect kunnen hebben op de geestelijke en lichamelijke gezondheid. Enerzijds streeft WADS ernaar om de kunsttentoonstelling te herscheppen, anderzijds wil WADS optreden als dienstverlenende zorgservice. Uiteindelijk is het ‘joie de vivre’ het belangrijkste dat WADS de bezoekers wil meegeven.
 


Week twaalf: de terugkomdag in Driebergen

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de locatie in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week twaalf van de behandeling. Langzaamaan loslaten en erop vertrouwen dat je het zelf kan. Dat is een belangrijk doel in de twaalfde behandelweek. Nanine Angenot, psycholoog bij U-center in Driebergen, benadrukt de kracht van herhaling.

‘In totaal beslaat het behandeltraject bij U-center veertien weken. Ik zie het als slechts veertien weken. Het is eigenlijk een relatief korte periode in vergelijking met de problemen van cliënten die er vaak al jarenlang zijn. Daarom besteden we veel aandacht aan het oefenen van nieuw gedrag. Cliënten hebben veel geleerd in de kliniek, maar het nieuwe gedrag is meestal nog geen automatisme. Herhalen maakt sterker, daarom benadrukken we bij cliënten dat het belangrijk is het geleerde in de praktijk te brengen, ook wanneer men voelt dat het goed gaat en de neiging krijgt het geleerde juist te snel los te laten.’

Bewust loslaten
Week twaalf is ook een week om stil te staan. Tijdens de terugkomdag in Driebergen. Die dag zijn cliënten weer samen met hun behandelgroep. Het is een moment van weerzien, herkenning en geruststelling. Een moment waarop cliënten hun ervaringen delen en zien dat de anderen het wellicht ook zwaar hebben, maar het ook goed doen. ‘We kijken terug naar de afgelopen weken en reflecteren. Hoe gaat het? Wat levert de behandeling tot nu toe op? Ook blikken we vooruit. Langzaamaan moeten cliënten U-center verlaten. We vragen ook wat ze in de laatste weken van ons nodig hebben en verwachten. Het roept bij cliënten vaak angst op om los te laten en te worden losgelaten, voor ons de taak om hen het vertrouwen te geven dat ze het zelf kunnen. Zodat ze regie hebben over het dagelijks leven’, vertelt Angenot.

Familie betrekken
Het contact met de kliniek wordt steeds minder intensief. Dat betekent ook dat er meer steun gezocht wordt bij familie
en vrienden. In week elf vindt de Friends & Family-dag plaats en dat heeft impact. Angenot: ‘In de twaalfde week voelen we dat nog steeds. Cliënten merken soms dat hun familie nog geen goed zicht heeft op wat er allemaal met hen is gebeurd in de kliniek. Het besef dringt steeds meer door dat het enorm belangrijk is dat zij hun familie en vrienden betrekken bij het proces dat ze doormaken. En dat begint bij meer vertellen over de behandeling en wat zij daarin hebben meegemaakt. Daarbij speelt ook hulp vragen aan familie en vrienden een grote rol en dat vormt voor veel cliënten nog een drempel.’


Chronotherapie bij U-Center

U-center werkt vanuit een chronotherapeutische visie. Alle cliënten krijgen aan het begin van hun behandeling uitleg over hun biologische klok en de werking ervan. Ze leren dat structuur belangrijk is voor een gezond bioritme en wat daarvoor nodig is. Naast psycho-educatie maakt U-center gebruik van lichttherapie bij cliënten met stemmingsstoornissen en specifieke slaapproblemen. Daarnaast wordt sociaal ritmetherapie toegepast om de aangeleerde structuur na opname thuis ook vast te kunnen houden. In de winter worden lichttherapielampen gebruikt. In de zomer gaan cliënten minimaal een half uur wandelen in de vroege ochtend. Zo wordt lichttherapie gecombineerd met beweging, sociale actief zijn en frisse lucht. Bij opname, maar ook in een ambulant traject, staat het structureren van de dag en daarmee het optimaliseren van het bioritme centraal. Hanneke Voermans, psychiater bij U Center: ‘Het toepassen van lichttherapie vergt in eerste instantie wel medische begeleiding. Veel mensen die ooit een lamp hebben aangeschaft voor thuis, gebruiken hem niet correct. Ze zitten bijvoorbeeld te ver van de lamp vandaan waardoor ze niet de juiste dosis licht zien. Chronotherapie is absoluut onderbelicht, terwijl het optimaliseren van het bioritme enorm gunstig is voor de meeste psychische klachten. Ik ben er trots op dat we bij U-center volgens een chronotherapeutische visie werken en merk bij zowel cliënten als hulpverleners enorm veel enthousiasme.’


Een verstoorde biologische klok

Vrijwel elke cliënt met psychopathologie heeft een verstoorde biologische klok. Toch wordt chronotherapie, waarmee het bioritme geoptimaliseerd kan worden, nog betrekkelijk weinig toegepast. Lichttherapie is algemeen bekend als effectieve interventie bij winterdepressie. Er zijn echter meer mogelijkheden. De relatie tussen de biologische klok en stemmingsstoornissen, slaapstoornissen, ADHD en verslaving is duidelijk aanwezig. Een gokverslaafde
zit veelal ’s nachts achter de fruitmachine. Drugs- en alcoholverslaafden hebben dikwijls een verstoord dagnachtritme.
Uit de theorie, en het gezond verstand, blijkt dat het helpt om cliënten in de psychopathologie weer ‘in de pas’ te laten lopen met
hun biologische klok.

Verstoorde processen
De biologische klok, ook wel de nucleus suprachiasmaticus genoemd, is een kern van de hypothalamus. De biologische klok
stuurt een grote verscheidenheid van circadiane (circa dia = ongeveer 24 uur) ritmen in het lichaam aan: ons dag- en nachtritme, onze bloeddruk, temperatuur, stofwisseling en allerlei hormonale processen. Verloopt die aansturing niet optimaal, dan kan dat leiden tot allerlei klachten, zoals concentratieproblemen, slapeloosheid en depressie. Sinds een jaar of tien weten we dat er speciale zenuwcellen in ons netvlies zijn (lichtgevoelige ganglioncellen) die licht-donker informatie direct doorgeven aan de
biologische klok. Daarmee stemt de biologische klok onze binnenwereld af met de buitenwereld en blijven we ‘in de pas lopen’. Veel mensen maken ’s avonds tot vlak voor het slapen gaan nog gebruik van allerlei beeldschermen, maar die zenden juist een activerend helder blauwwit licht uit. De biologische klok wordt daardoor geactiveerd, wat het bioritme verstoort. Dat is vooral problematisch bij mensen met slaapproblemen of ADHD, die ’s avonds al moeilijk tot rust kunnen komen.

Lichttherapie: de luxe van lux
In de winter zijn er minder daglichturen. Het activerende effect van daglicht ontbreekt voor veel mensen die in het donker naar hun werk gaan. Dat beïnvloedt het functioneren van de biologische klok negatief. Het is dan ook niet verwonderlijk dat (seizoensgebonden) depressies uitstekend verholpen kunnen worden met lichttherapie. De lichtintensiteit van een lichttherapielamp is 10.000 lux, ongeveer gelijk aan de lichtintensiteit buiten op een licht bewolkte dag. Ter vergelijking; binnen is de lichtintensiteit zo tussen de 100 lux (schemerlamp) en 700 lux (goed verlichte vergaderzaal). De effectiviteit van lichttherapie is bij seizoensgebonden depressie en inmiddels ook bij gewone depressie uitgebreid aangetoond.

 


Het effect van lichttherapie

Elk najaar, je kunt de biologische klok erop gelijk zetten, word ik als psychiater en chronotherapeut geïnterviewd door journalisten
over winterdepressie en lichttherapie. Seizoenen en seizoensgebonden klachten blijven kennelijk interessant voor iedereen. Terecht, want de chronobiologie is voortdurend in ontwikkeling. Uit grote epidemiologische onderzoeken wordt steeds duidelijker dat insomnia (slapeloosheid) zowel oorzaak als gevolg is bij elke vorm van psychopathologie zoals stemmingsstoornissen,
angststoornissen en ook psychotische stoornissen. De chronotherapie heeft zich de afgelopen jaren tot een van de best onderbouwde neurowetenschappen ontwikkeld. De complete zenuwvezelbedrading tussen netvlies en biologische klok is inmiddels beschreven. Resultaten van moleculair en genetisch onderzoek worden in wetenschappelijke toptijdschriften gepubliceerd. Als psychiater ken ik dan ook geen andere therapie waarvan de werkzaamheid zo solide en het werkingsmechanisme zo logisch is als lichttherapie.

Lichttherapie was aanvankelijk ontwikkeld voor mensen met winterdepressie. Inmiddels is bekend dat iedereen in bepaalde mate gevoelig is voor de invloed van de seizoenen. Niet alleen bij winterdepressie, maar ook bij gewone depressies blijkt lichttherapie werkzaam en even effectief als antidepressie medicatie. Ondertussen kunnen we profiteren van de inzichten die al bekend zijn. Optimaliseren van bioritme en bevorderen van een gezonde slaap zouden een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het dagelijkse gesprek tussen behandelaar en cliënt. Chronotherapie kan mensen laten ervaren hoe belangrijk een gezond bioritme is voor hun stemming en energieniveau.

Dr. Ritsaert Lieverse, psychiater en universitair
docent bij Maastricht University


Onderzoek UvA naar zuchtremmer Baclofen

Bij de behandeling van alcoholverslaving worden opmerkelijke resultaten geboekt met het middel Baclofen. In U-Center is een onderzoek gestart naar de effectiviteit van Baclofen bij alcoholafhankelijkheid. Patiënten van U-center kunnen deelnemen aan dit onderzoek.   

Baclofen is van oorsprong een spierverslappend middel. In lage doseringen blijkt het ook positieve resultaten te boeken als zuchtremmer. Samen met de Universiteit van Amsterdam gaat U-center onderzoeken wat de effecten zijn bij hogere doseringen. Het onderzoek maakt deel uit van U-centers totaaltraject, dat bestaat uit 7 weken klinische opname en 7 weken ambulante behandeling. In dit traject volgen patiënten het behandelprogramma voor verslaving. Daarnaast krijgen zij doses Baclofen.

Meer informatie?
Heeft u vragen over deelname aan deze studie? Overweegt u om zich te laten opnemen in U-center? Neem voor meer informatie contact op met het Communicatie Center en vertel dat u belt voor het onderzoek naar Baclofen. Patiënten die deelgenomen hebben aan de studie kunnen de helft van hun eigen bijdrage terug krijgen van U-center, als dank voor de ondersteuning van het onderzoek. Bekijk hieronder de reportage van Eenvandaag over Baclofen.

sitestat

 


Een wereld van verschil

‘Ik ben echt meer mezelf. Voorheen zei ik altijd dat het goed met me ging, terwijl ik kampte met slaapproblemen en onverwerkt verdriet.  Door Zuurstof voor de Ziel voel ik me meer  in balans. Een wereld van verschil’, aldus Yvo . Als oud-patiënt van U-center is hij bekend met de workshop. ‘Het is best eng om mee te doen. Je speelt, zingt, danst. Maar ik voel me elke keer zó bevrijd. Ik doe dingen vanuit mijn gevoel en dat voelt heel goed. Het liefst volg ik de workshop twee keer in de maand.’

Ruim twee jaar heeft Yvo last gehad van slaapproblemen en zware oververmoeidheid. ‘Voorheen zei ik altijd dat het goed met me ging. Ik zei het automatisch, maar de laatste twee jaar voelde ik mij verre van goed. Nu doe ik alles bewuster en met meer gevoel. Ik blijf mezelf, leef in het moment en geniet. Het is zo relaxt om als je bijvoorbeeld op de fiets naar huis zit na een werkdag, daarbij stil te staan. En dus niet in je hoofd te zitten met wat je de volgende dag nog allemaal moet gaan doen.’

In groepsverband acteren, zingen, spelen. Dat vinden de meeste mensen heel spannend. Dat geldt ook voor Yvo. ‘Ik had de rem erop. Het is spannend en brengt een soort plankenkoorts met zich mee. Je zult maar ineens in het Russisch moeten gaan zingen. Ik kan niet eens Russisch spreken. Maar echt waar, de rem gaat eraf. Door Zuurstof voor de Ziel ben ik meer in balans. Ik heb geleerd om emoties te tonen en vastgeroeste patronen te doorbreken. Ik ben mezelf en durf de confrontatie met angsten en onzekerheden aan te gaan. Daardoor ga ik een stuk vrijer door het leven.’

De positieve effecten van de workshop werken bij Yvo maanden later nog door. ‘Enerzijds zijn er concrete handvatten om aan te werken. Ik onderneem nieuwe dingen, doe aan yoga en mindfulness. Ook spreek ik meer in het openbaar.  Anderzijds helpt het toneelspelen tijdens een workshop. Het is heel leuk om te doen, je wordt steeds vrijer op een podium. En dat lucht op. Scenes speel je op gevoel. Zodra je erover gaat nadenken, komt het onecht over. Zo werkt het ook in het echte leven. Door meer op gevoel te doen, ben je authentieker, impulsiever en echter. En dan kun je meer genieten. Ik leef meer voor mezelf en ben niet zozeer bezig met wat anderen van mij denken.’


De drempel van vernieuwing

Iedereen weet dat het voorkomen van gezondheidsklachten goedkoper is dan genezen. Toch is de financiering van zorg daar nog niet op ingesteld. Wij vergoeden pas wanneer een probleem heeft kunnen ontstaan. Van de exacte economische winst hebben wij te weinig data. Een realistisch standpunt. Toch ben ik ervan overtuigd dat wij op de drempel staan van grote vernieuwingen. Op den duur is de verschuiving richting preventie mogelijk, ook in financiering. E-health gaat de wijze waarop wij zorg ervaren totaal veranderen. Wij kunnen er vroeger mee ingrijpen bij psychische stoornissen, en inzetten in het nazorgtraject. Tegelijk is er veel aandacht voor kwaliteit. Vrijwel alle zorgverleners zijn bezig hun kwaliteit te meten en te verbeteren. Zo krijgen wij dus steeds meer data over zorgprocessen: de effectiviteit en de efficiëntie. De kosten, de baten en de bottlenecks. Wij kunnen op den duur steeds beter zien hoe deze factoren zich tot elkaar verhouden. Informatie gaat dus het verschil maken. Naarmate duidelijker wordt wat de economische baten zijn van preventie, zullen wij eerder bereid zijn om de benodigde uitgaven te doen. Overigens denk ik wel dat de politiek op het goede spoor zit. In de afgelopen jaren is de nadruk steeds meer komen te liggen op toename van ‘participatie’ door goede zorg. Zorg en ondersteuning kunnen eraan bijdragen dat mensen weer kunnen deelnemen aan de maatschappij. Goede zorg kan voorkomen dat ze aan de zijlijn komen te staan. De maatschappij als geheel profiteert daarvan. Laten wij die baten dus eens in kaart gaan brengen. Ik twijfel er niet over dat dit gaat gebeuren. Het thema staat meer dan ooit op de agenda. 

Kim Putters, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau


‘Voorkomen psychische problemen en terugval’

Vijf workshops in Driebergen markeren de aanvulling van U-center op de bestaande behandelingen. ‘Voorkomen en resultaat meten is ons uitgangspunt in alle activiteiten. Voorkomen dat psychische problemen ontstaan en terugval voorkomen na een behandeling.’

Al sinds het begin van de zomer biedt U-center Personal Development een pakket workshops aan oud-patiënten. Vanaf september is dat pakket uitgebreid en kunnen ook andere mensen terecht. ‘Die combinatie is een interessante’, zegt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. ‘Uit onze ROM-cijfers blijkt dat de meeste van onze oud-patiënten in een geleidelijk opgaande lijn zitten. Maar van geheel genezen is helaas niet altijd sprake: bij veel psychische klachten en verslaving bestaat een risico op terugval. Mensen zónder behandelgeschiedenis worden juist door de workshops aangetrokken omdat ze in een neergaande lijn zitten. Wij bieden een programma dat die lijnen kruist. De workshops hebben een concrete en constructieve insteek: mensen energie geven, de regie laten over hun leven en weerbaar maken.’ Preventieve behandeling ‘De overheid stimuleert ambulante behandelingen en de afbouw van bedden’, zegt Weijnen. ‘Niet iedereen behoeft opname of behandeling, een vroege interventie kan erger voorkomen.’ Maar voor een dergelijke preventieve aanpak is nog relatief weinig aandacht. Weijnen: ‘Er is geen financiering voor mensen die niet geïndiceerd zijn, maar wel een zeker risico lopen. Wij proberen met betaalbare workshops in een behoefte te voorzien, zodat de zorgverzekeraar niet altijd de portemonnee hoeft te trekken. Vaak is ook de werkgever bereid preventief te investeren om uitval op het werk te voorkomen. Onze kennis willen wij niet alleen in de derdelijn houden. We helpen mensen om zelfstandig verder te kunnen, zonder beroep op zorg.’


Intensive cure: week 10

Week tien: de terugkomdag in Epen Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de locatie in Driebergen. In deze serie belichten wij steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week tien van de behandeling.

Geleidelijk afbouwen. Dat is het credo in de zeven weken ambulante behandeling die volgen na het klinische traject in Epen. Elsbeth Hoogeveen, psycholoog in Driebergen, vergelijkt het met revalideren. ‘Steeds een stukje verder. Aan het einde van de behandeling moet iemand volledig op eigen benen kunnen staan, opnieuw zelfredzaam zijn. Vertrouwen hebben opgebouwd.’ Week tien van de behandeling is in dat proces een mooie test. Het is de derde ambulante week en daarin vindt een verschuiving plaats van individueel naar groepscontact. Hoewel het bloggen met de therapeut verder gaat, vindt de laatste videochat plaats. Er zijn nog enkele therapeutische sessies in groepsvorm en patiënten kunnen wekelijks terecht bij de herstelgroepen van U-support in hun buurt. 

Scharnierweek
Week tien is dus een scharnierweek. Ook omdat patiënten in deze week definitief afscheid nemen van de kliniek. ‘Ze komen voor een dag terug naar Epen’, vertelt Hoogeveen. ‘Daar blijkt dat ze eigenlijk geen patiënt meer zijn. Het is een ijkmoment. Hoe vergaat het de mensen met wie ze in Epen zaten? Waar staan ze zelf? Een emotionele dag, want de sfeer van de opnameperiode is weer dichtbij.’ Tegelijkertijd is er veel veranderd. De kleinste dingen hebben dan grote impact. ‘Bijvoorbeeld dat een onbekende op hun plek in het restaurant zit’, zegt Hoogeveen. ‘Dat is voor velen een besef dat de opnameperiode er definitief op zit.’ Reality check Eigenlijk is deze hele week samen te vatten in één term. 

Reality check
Hoogeveen: ‘In de eerste ambulante week na de opname zijn patiënten nog euforisch. Ze denken de wereld aan te kunnen met de nieuw geleerde vaardigheden. Het is een irreëel beeld dat in de tweede week vaak in duigen valt. Een nieuw leven opbouwen op het fundament van het oude is gewoon heel moeilijk. Een terugval maakt patiënten ineens onzeker. Het mooie van de terugkomdag is dat er context aan die twee uitersten wordt toegevoegd. Patiënten luisteren naar elkaars verhalen en vinden herkenning. Ze beseffen dat je leert met vallen en opstaan. Daardoor ontstaat wél een reëel beeld.’

Elsbeth Hoogeveen
Elsbeth Hoogeveen (27) is psycholoog bij U-center. Ze studeerde psychologie aan de Universiteit Utrecht en is geschoold in cognitieve gedragstherapie.


‘We geven mensen hun argeloosheid terug’

Sjeng Verheijden en Ryan van den Akker zijn regisseur en actrice/zangeres. Hun workshop Zuurstof voor de ziel neemt mensen mee in zang, dans en toneel. ‘Als je ontdekt wat je op het toneel kunt, dan weet je wat er in het leven mogelijk is.’ 

Wat is het doel?
Verheijden: ‘In het dagelijkse leven verhullen mensen heel veel. Meer dan in het theater, weten wij uit ervaring. Juist op het toneel laat je iets van je zien, daar moet je allerlei kanten van jezelf aanspreken. Die verschillende kanten proberen wij aan te boren in onze workshop.’ Van den Akker: ‘Wij willen toneelspelers maken van mensen, ze het vertrouwen geven dat ze in een situatie op hun intuïtie kunnen handelen. Wij geven ze hun argeloosheid terug. Je hoeft helemaal niet alles van tevoren te bedenken. Je mag gewoon blanco in een situatie treden. Dat blijkt voor mensen heel lastig. Theater helpt.’ 

Waaruit bestaat de workshop?
Verheijden: ‘We hebben een vast format, maar daarbinnen zijn tal van variaties mogelijk. We laten deelnemers improviseren in toneel, zang en dans. Zang en dans wekken vreugde en een vrij gevoel op. En als je vrij bent, kun je elke situatie aan. Van den Akker: ‘In het toneel spelen we allerlei scenes, vaak ook met een rauw randje. In die improvisaties kun je goed zien waar persoonlijke barrières liggen. Op die punten stellen we vervolgens scherp.’


‘Oud-patiënten en nieuwe deelnemers leren van elkaar’

Mieke Dorssers en Bart van den Boogard zijn beiden psycholoog bij U-center en gespecialiseerd in burnout. Hun workshop maakt deelnemers bewust van de factoren die een rol spelen bij burn-out. ‘Hoe investeer je je energie, en hoe kun je bijdragen aan je eigen herstel?’ 

Wat is het doel?
Dorssers: ‘Burn-out blijft een verwarrend begrip voor veel mensen. Welke rol spelen lichamelijke klachten, welke rol spelen psychische klachten? In onze workshop proberen wij samen met de deelnemers al die informatie te ordenen.’ Van den Boogard: ‘Wij hebben twee doelgroepen: oud-patiënten en mensen die soms te maken hebben met verschijnselen die lijken op een burn-out. Oud-patiënten blijven het risico lopen op een terugval. Ze moeten waakzaam blijven. Andere deelnemers kunnen met de juiste aandacht een burn-out voorkomen. Het interessante daarbij is dat beide groepen iets hebben aan elkaars perspectief.’ 

Waaruit bestaat de workshop?
Dorssers: ‘Wij beginnen met grondige uitleg. Want de term burn-out wordt bij het minste of geringste al gebruikt. Wat is burn-out nou echt? Hoe uit het zich? Het is prettig om daarover te praten, want veel mensen zijn gewoon onzeker over wat ze mankeert. Wij zien dan vaak ook veel herkenning bij cursisten onderling, ze voelen zich begrepen.’ Van den Boogard: ‘Maar hoe genees je dan je klachten? Het is lastig om je energiehuishouding goed in balans te krijgen. Dat heeft deels te maken met persoonlijkheid, je opvoeding. Wij passen de theorie direct toe bij cursisten, zodat ze voor specifieke situaties handvatten krijgen.’


‘Overwinnen van schaamte en barrières’

Annemarie Steen is actrice en trainer. Haar workshop leert deelnemers om speelsheid te gebruiken in het dagelijkse leven. ‘Speelsheid helpt je namelijk op je werk en in sociale contacten. Juist als je speelt ben je veel opener en echter.’ 

Wat is het doel?
‘Heel veel mensen zijn ambitieus en carrièregericht. Dat is niet verkeerd, maar het gaat vaak ten koste van speelsheid. En uiteindelijk van plezier in het leven. Veel mensen zijn het verleerd om te spelen, en geven daarmee belangrijke kanten van zichzelf op. Speelsheid helpt je namelijk in het dagelijkse leven: op je werk, in sociale contacten. Juist als je speelt ben je veel opener en echter. Ik geloof in de uitspraak van Plato: ‘you can discover more about a person in an hour of play, than a year of conversation’. 

Waaruit bestaat de workshop?
‘Er zijn enorm veel vormen van play. Heel letterlijk, zoals puzzelen. Maar ook in gedachten en in verbinding met elkaar. Ik probeer die vormen van speelsheid naar boven te krijgen in de workshop. Het draait om het overwinnen van barrières en schaamte. Het leuke is dat mensen kleine ritueeltjes uit de workshops adopteren en bijvoorbeeld op hun werk in stand houden. Ik hoop mensen inzicht mee te geven en tools die ze in de dagelijkse praktijk kunnen toepassen.’


Verslavingspeiling onder werkende Nederlanders

Meer dan driekwart van de werkgevers is niet op de hoogte, of onderneemt geen actie als een medewerker verslaafd is. Kortom: het verslavingstaboe bestaat nog altijd op de werkvloer, blijkt uit een peiling van U-research.

De peiling is uitgevoerd onder ruim 800 Nederlandse werknemers, een dwarsdoorsnede van de beroepsbevolking. Bijna 20 procent gaf daarin te kennen behoefte te hebben aan drank als er sprake is van stress op het werk. Eén op de vijf vermoedt een verslaving bij een van zijn of haar collega’s. Daarnaast denkt bijna de helft van de respondenten dat de werkgever niet op de hoogte is van de verslaving van medewerkers. Zelfs wanneer dit wel het geval is, zal de werkgever in de meeste gevallen zich er niet mee bemoeien, verwacht de werknemer. ‘Dat vermoeden klopt’, bevestigt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. ‘Het onderwerp wordt als het maar even kan uit de weg gegaan. Dat maakt het probleem op termijn alleen maar groter.’ 
 
Jongeren meer vertrouwen 
Door het onderwerp uit de weg te gaan, blijft het taboe rond verslaving op de werkvloer in stand. Angst voor baanverlies of andere nadelige gevolgen voor de carrière spelen hierin een grote rol. Angst voor de gevolgen van een verslaving op de loopbaan is vooral groot bij werknemers tussen de 50 en 65 jaar. Werknemers die aan het begin van hun loopbaan staan, hebben meer vertrouwen in hun werkgever; zij denken dat een verslaving niet tot baanverlies zal leiden.

Mannen en vrouwen
Uit de peiling blijkt een duidelijk verschil tussen de geslachten. Zo zijn mannen bij stress eerder geneigd om naar alcohol te grijpen, 17 procent tegenover 10 procent bij vrouwen. Mannen lijken ook meer vertrouwen te hebben in hun werkgever en zijn wat positiever over de werkgever. Zo denkt de meerderheid dat de werkgever doorgaans op de hoogte is van een verslaving en ook daadwerkelijk steun zal verlenen. De vrouwelijke werknemer verwacht dat de werkgever zich niet met een verslaving zal bemoeien.

Schaamte en ontkenning
‘Uit onze peiling blijkt dat werkgevers grofweg op twee manieren reageren’, stelt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. ‘Ofwel ze weten niet van de verslaving, of ze bemoeien zich er niet mee. Collega’s zien problemen vaak wel ontstaan, maar durven niets te zeggen. En de medewerker zelf? Die zal de laatste zijn om verslaving aan de kaak te stellen. Schuld, schaamte en ontkenning overheersen bij alle partijen. Een van onze patiënten, John, stond binnen zijn organisatie bekend als “Johnny Walker”, naar het whisky-merk. Het is schrijnend dat niemand ingrijpt in zo’n situatie, terwijl het aantoonbaar gaat om een hersenziekte. Het zorgt ervoor dat mensen fouten kunnen blijven maken in hun werk, en dat is voor iedereen een risico. Uit onderzoek is gebleken dat verslaafde mensen vaker bij een bedrijfsongeval betrokken zijn.’
 
Over U-research
U-research is de onderzoekstak van U-center. Hiertoe behoort hard wetenschappelijk onderzoek van U-science, zoals de periodieke ROM-metingen en promotieonderzoek naar de oorzaken van burn-out, depressie en verslaving. U-research voert echter ook peilingen uit: van de tevredenheid van U-centers patiënten en van de opvattingen van Nederlanders over psychische problemen. Alle onderzoeken van U-research zijn toegankelijk op www.u-center.nl/u-research.

De menukaart voor verslavingsbehandelingen

Op de menukaart voor verslavingsbehandelingen staan van oudsher twee rubrieken, stelt prof. dr. Reinout Wiers. Pillen en praten. 'Mijn boodschap is dat er meer keuze nodig is. Zo’n 50 procent van de verslaafden valt namelijk een jaar na behandeling terug, 70 procent na drie jaar.'

'Er is een extra rubriek in ontwikkeling. Als ‘pillen’ staat voor vlees en ‘praten’ voor vegetarisch, dan is er buiten de kaart een menu ontstaan met allerlei smakelijke visgerechten: de cognitieve trainingen. Aan de Universiteit van Amsterdam (en daarvoor aan Maastricht University) richt ik me samen met diverse promovendi op dergelijke trainingen. We kennen grofweg twee soorten: trainingen gericht op een specifiek cognitief proces dat een rol speelt bij het probleem, en trainingen gericht op algemene cognitieve processen. Twee voorbeelden uit de eerste categorie zijn aandachttraining en training van actietendensen. Concreet: we trainen mensen met een verslaving door ze bijvoorbeeld op de computer alcoholplaatjes van zich af te laten duwen met een joystick. Dit ‘wegdrukken’ van alcohol blijkt te helpen. In de Berlijnse kliniek Salus toonden we herhaaldelijk aan dat abstinentie van alcohol na een jaar met 10 procent extra kan worden beperkt. Overigens wil het aanbod van nieuwe trainingen niet zeggen dat ‘pillen’ en ‘praten’ nu overbodig zijn; trainingseffecten worden gevonden bovenop ‘praten’. Daarnaast doen we ook onderzoek naar ‘pillen’ (een studie naar het middel Baclofen, onder andere bij U-center). De uitdaging is om te ontdekken welk samenspel van methodes in een specifieke situatie optimaal effect sorteert. Om terug te komen bij de menumetafoor: van een prakkie naar op de gast toegesneden fusion cooking. 

Prof. Dr. Reinout Wiers, hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie aan de Universiteit van Amsterdam


Week 9: de tweede week ambulant

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week negen van de behandeling.
 
Week 9 is de tweede week van de ambulante behandeling. Patiënten starten met de e-health van U-care (blogs en videochats) en komen enkele dagen terug voor therapie bij U-center Driebergen. ‘Patiënten krijgen steeds meer zicht op de nieuwe werkelijkheid’, aldus psycholoog Niels Doorn. ‘In de week van thuiskomst zit een deel van de patiënten vaak nog in de euforiefase. Ze denken ook wel: ik voel me goed en ik ga het zelf aanpakken. Maar in de tweede week beseffen ze dat het nog een zware weg is, met vallen en opstaan.’ 
 
Bewust onbekwaam 
De thuisomgeving is niet veranderd: door dit besef worden patiënten gedwongen om hun verwachtingen bij te sturen en dat blijkt in de regel lastiger dan verwacht. Oude patronen steken bij tegenwind weer de kop op. Doorn: ‘Dit hoort echter bij het proces. Door te vervallen in oud gedrag, leren patiënten stappen te zetten. Uit de videochats die wij met patiënten voeren, blijkt dan ook vaak dat ze schrikken van deze confrontatie met oude gedragingen. Ze zijn “bewust onbekwaam”. Ze zien zichzelf in bepaalde valkuilen lopen – wat niet per se een terugval hoeft te betekenen. In zekere zin is weerstand zelfs nodig. Door tegenslagen te verwerken, leert de patiënt zichzelf te herpakken en zijn nieuwe gedrag bij te schaven.’ 
 
Verwachtingsmanagement 
De dagstructuur van de behandeling is ook een aspect dat patiënten in week 9 gaan missen. ‘Vlak na thuiskomst is de vrijheid nog wel even fijn: uitslapen, zelf koken. Maar die vrijheid kan ook voor een terugkeer van de klachten zorgen. Bovendien ervaren mensen in de thuisomgeving in mindere mate het begrip en de herkenning die ze in de kliniek gewend waren’, legt Doorn uit. ‘In de kliniek in Epen laten we al regelmatig weten dat de ambulante behandeling zwaar zal worden. Gedragsverandering vraagt om veel oefening, met vallen en opstaan. De patiënt heeft echter de verwachting dat herstel zich in een stijgende lijn voltrekt. Het feit dat veel patiënten vol euforie naar huis gaan, toont aan dat we moeten herhalen dat herstel weerbarstig verloopt. Onze taak is voor een deel dus om verwachtingen goed te managen.’ 
 
Pas op de plaats 
Het blogcontact is structureel in deze week. Doorn: ‘We merken dat bloggen mensen bewuster maakt van hun valkuilen. Niet terugvallen in de waan van de dag, maar een moment van reflectie. Patiënten maken een pas op de plaats. Zo’n ijkpunt in de dag helpt ze om te durven kijken naar wat er goed gaat en wat nog beter kan. Het helpt wat dat betreft goed bij het herstelproces.’
 
Over Niels Doorn
Niels Doorn studeerde Gezond-heidswetenschappen aan Maastricht University. Hij voltooide een master in Mental Health. Na zijn studie kwam hij bij U-center in dienst als psycholoog. Momenteel volgt hij de cursus ‘Schematherapie’, ter voltooiing van de opleiding tot cognitieve gedragstherapeut (vGCT).
Doorbreek je het verslavingstaboe en keert de medewerker na behandeling clean terug op de werkvloer? Dan ben je als werkgever een gemotiveerde en betrokken medewerker rijker. Aldus Arts Verslavingszorg van U-center Hans Zander.
 
Wat vindt u van de uitkomsten van deze peiling? 
‘Ik herken de uitkomsten in de praktijk. Problematisch, want de stilte moet doorbroken worden om het verslavingsprobleem op te lossen. En een probleem is het zeker, want we weten dat bij alcoholmisbruik bijvoorbeeld de productiviteit van mede¬werkers met minstens 20 procent afneemt. Tel het toegenomen verzuim en schade door bedrijfsongevallen daarbij op, en iedereen begrijpt dat verslaving een grote schadepost vormt voor werkgevers.’ 

Hoe moet het wel?
‘Ik adviseer werkgevers om verslaving bespreekbaar te maken. Stel regels op, vraag op de man af hoe het zit. Verder is het van belang om een dossier op te bouwen. Als het probleem goed aangepakt wordt en de medewerker keert clean terug op de werkvloer, dan kun je er als werkgever vanuit gaan dat je een gemotiveerde en betrokken medewerker hebt. Eén die zijn valkuilen kent en gezien heeft dat zijn werkgever iets voor hem overheeft.’ 

Wat is de rol van U-center hierin? 
‘U-center richt zich nadrukkelijk op effectieve terugkeer van patiënten. Niet alleen naar de thuisomgeving, maar juist ook naar werk. Werk biedt een structuur die terugval voorkomt. Onze verslavingsartsen en ik als voormalig bedrijfsarts ondersteunen daarbij. We betrekken de werkgever direct bij de behandeling en nodigen hem uit om samen met de patiënt en de behandelaar mee te denken over het proces van terugkeer. Bovendien maken alle patiënten een terugvalpreventieplan waarin ze personen in de thuis- en werkomgeving betrekken.’

Jim van Os: niemand is gebaat bij onderscheidende e-health

Twintig procent van de bevolking kan te maken krijgen met psychische problemen. Die kun je nooit allemaal helpen met persoonlijke zorg. Behandelen we de lichte gevallen met e-health, dan neemt de druk op de sector af. Minder wachtlijsten, minder kosten, meer tijd voor ernstige diagnoses. Allemaal dankzij online behandelmodules (e-health) en apps (m-health) waar meestal geen therapeut aan te pas komt. Praktisch elke ggz-aanbieder heeft een eigen e-health-systeem. Mooi? Integendeel.
We kunnen heel Nederland voor lichte psychische klachten behandelen vanuit één server. Niets staat ons in de weg om alle kennis en kunde te bundelen tot één gestandaardiseerd pakket dat toegang biedt aan alle instellingen. Herstel, niets staat ons in de weg waar het rationele obstakels betreft. Met de illusie van marktwerking moeten we eerst afrekenen. Laat die marktgedachte los, zou ik zeggen. Niemand is gebaat bij deze veelvoud aan systemen die ‘concurreren’. Ze zijn namelijk veelal van bedroevend niveau. Een standaardpakket dat bewezen werkt, bespaart op kosten en kan het Behandeleffect vergroten. Ik pleit voor één landelijk e-health-centrum op basis van open source, met een commissie van deskundigen die toeziet op kwaliteit. Door zorg aan de ‘voorkant’ te standaardiseren, krijgt de ggz budget en handen vrij voor complexe diagnoses. Het gaat dus om taakopvatting. Waar ben je goed in? Past ehealth-systeem U-care dan wel binnen het takenpakket van U-center, zult u zich afvragen. Juist wel. In U-care worden bestaande technieken gebruikt om persoonlijk contact te versterken. Dat is precies wat je van specialistische derdelijnszorg mag verwachten.

Prof. Dr. Jim van Os is lid van U-centers  Wetenschappelijke en klinische Adviesraad


Dichter bij de patiënt dankzij e-health

Het kabinet wil dat de ggz meer inzet op e-health. U-center doet dat sinds juli vorig jaar in alle ambulante behandelingen met U-care. Volgens Astrid Regterschot, teamcoördinator ambulante behandeling Driebergen, snijdt het mes aan twee kanten. ‘Patiënten hebben er baat bij én behoefte aan.’

Steeds meer ggz-instellingen bieden e-health aan, zo ook U-center. Hoofd van de dependance in Driebergen Astrid Regterschot: ‘Wij gaan een stap verder, doordat we blended therapy – een combinatie van live en online contacten zoals blog, videochat en groepsbijeenkomsten – opnemen in de behandeling. We hebben een online behandelportaal voor e-health: U-care.’ Van de behandelperiode van veertien weken bij U-center zijn zeven weken ambulant. ‘Hieronder valt ook de blended therapy’, aldus Regterschot. ‘We staren ons niet blind op die online component. In principe is hij integraal onderdeel van de behandeling. Wie er om wat voor reden dan ook niks mee kan, bieden we een alternatief programma.’

Frequentie
E-health sluit maatwerk niet uit, stelt Regterschot. ‘We laten het van de problematiek van de patiënt afhangen hoe vaak er online of live contact is met de behandelaar. De intensiteit van de behandeling neemt zoals gewoonlijk geleidelijk af. Zo nodig wijken we daar van af. Ons doel is de patiënt te helpen omgaan met zijn nieuwe leven, en te voorkomen dat hij bij thuiskomst in een gat valt.’

Wat voegt e-health toe aan een behandeling?
Regterschot: ‘Met blended therapy is de behandeling op afstand goed voort te zetten. De kracht van bloggen is bijvoorbeeld dat de patiënt zijn moment kan kiezen. Hij kan in relatieve rust en anonimiteit over zijn leven schrijven. De behandelaar krijgt soms meer mee dan wanneer er sprake zou zijn van een wekelijkse bijeenkomst in een behandelkamer. Een ander voordeel is de transparantie. De patiënt kan alles inzien; niet alleen zijn eigen bijdrage maar ook die van de behandelaar.’

Hoe draagt e-health bij aan effectiviteit?
Regterschot: ‘Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat blended therapy effect heeft. Wij merken de kracht ervan in de praktijk. Patiënten worden in Epen voorbereid op het ambulante behandeltraject. Ze leren videochatten en bloggen. Hoe lager de drempel na de klinische opname, hoe groter de kans op actieve deelname. Blogs en videochat geven behandelaars een goed beeld van de thuissituatie. Hierdoor kan in sommige gevallen een terugval vroeg ontdekt worden.’
Welke keuzes heeft U-center gemaakt met betrekking tot de instrumenten?
Regterschot: ‘Blended therapy is een goed middel, geen doel. We gaan uit van wat de patiënt nodig heeft. Als hij niets met e-health kan, houden we daar niet krampachtig aan vast.’

Verandert de praktijk van een behandelaar?
Regterschot: ‘Jazeker, e-health is iets heel anders dan face-to-face contact in de behandelkamer.
Het geschreven woord geeft moeilijker inzicht in een grapje, zoals een lach of nuancerend handgebaar dat doet. Bij videochat spelen weer andere factoren. Er kunnen misverstanden ontstaan en daar
zijn onze therapeuten zich goed bewust van. We besteden hier in de opleiding van onze behandelaars veel aandacht aan.’

Wat zijn de toekomstplannen?
Regterschot: ‘We blijven innovatieve online toepassingen ontwikkelen. We zijn nu bezig U-care verder te verbeteren, door e-health gedurende de klinische behandeling te integreren. Bovendien kunnen patiënten binnenkort op U-care hun eigen terugvalpreventieplan maken en uitdraaien.’


Mobile health: meten en weten in de dagelijkse context

Naast e-health is nu ook mobile health in opkomst. Het unieke aan m-health is volgens promovendus Tim Batink de mogelijkheid om betrouwbaar informatie te vergaren uit het dagelijks leven van een persoon (ecologisch valide). Hij onderzoekt in U-center de toepassing van de ‘PsyMate’ . ‘Daarmee kunnen we zowel meten als patiënten laten oefenen in een alledaagse context.’

De PsyMate is een soort digitaal dagboek dat patiënten laat stilstaan bij hun gedachten en gevoelens in relatie met de context waarin ze zich op dat moment bevinden. Hierdoor leren patiënten te herkennen welke factoren invloed uitoefenen op hun denken en voelen. Batink:‘Patiënten kunnen leren op een gezonde manier om te gaan met vervelende gedachten en gevoelens. Door een recente uitbreiding - ACT in Daily Life - is het bovendien mogelijk om actief te interveniëren.’ Meerwaarde patiënten Batink voert momenteel onderzoek uit naar de PsyMate binnen U-center. Patiënten starten met het gebruik op de dag dat het ambulante
traject begint. ‘Momenteel onderzoeken we of de training meerwaarde biedt aan patiënten, en effect heeft in de functionele omgang met klachten. We werken hierbij samen met Maastricht University. De eerste uitkomsten presenteren we in juli op een congres in
Sydney (ACBS World Conference XI).’ Dagelijkse context ‘Ik zie de toekomst van e-health, en m-health in het bijzonder, positief in’, vertelt Batink. ‘De app-versie van de PsyMate is in ontwikkeling (PsyMate 2.0). Die maakt de toepassing laagdrempelig en kostenefficiënt.’ Volgens Batink zijn de mogelijkheden voor een aanvullende rol op een behandeling legio. ‘Het is meten
en weten in een dagelijkse context. Ook bij preventie kan m-health groot worden. Het is mooi dat U-center daaraan kan bijdragen.’

Tim Batink
Tim Batink is psycholoog en ACT-therapeut bij U-center. ACT staat voor Acceptance and Commitment Therapy. Batink promoveert bij Maastricht University op de toepasing van de PsyMate. In U-center
Driebergen geeft hij de ACT-workshop ‘Hoe ga je ermee om?’


Blogs en videochat in U-care

E-health is voor U-center speciaal ingericht op de ambulante behandeling. De online omgeving heet U-care: een afgeschermd portaal waar patiënten met therapeuten in contact kunnen blijven.

Wanneer patiënten starten met U-care, hebben ze al volop geoefend in de klinische omgeving van Epen. Ze kunnen inloggen op een afgeschermd portaal op de website van U-center en per dag inzien wat er verwacht wordt. U-care is eenvoudig ingericht: patiënten kunnen gemakkelijk hun weg vinden naar de blogs en videochats. Videochat heeft als voordeel ten opzichte van een telefoongesprek dat meer non-verbale signalen kunnen worden opvangen. Daarnaast is het voor therapeuten mogelijk om dingen met elkaar uit te wisselen via de camera, zoals een schema of een tekening. Na het eerste telefonische gesprek schrijft de betreffende therapeut een kort verslag in U-care, zodat patiënten dit kunnen teruglezen. Er is dan meteen contact gemaakt via U-care, wat voor de patiënt een extra uitnodiging kan zijn om te gaan bloggen. De ervaringen met bloggen zijn goed. De drempel om ervaringen op te schrijven blijkt laag. Het blogarchief van een specifieke patiënt, dat in U-care staat, biedt volop aanknopingspunten voor de videochat-sessies en de verdere behandeling.

Hoe veilig is E-HEALTH bij U-center?
U-care voldoet aan de alle veiligheidsnormen en is ontwikkeld door een ervaren producent. Zowel de
behandelaar als de patiënt werkt met een beveiligde verbinding, in een afgeschermde omgeving waarop moet -worden ingelogd. Zolang de patiënt niet achter zijn computer wegloopt zonder uit te loggen, kan niemand meelezen.


Intensive Cure: Week 8

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds één week van deze veertien weken. Dit keer een indruk van week acht van de behandeling.

Week 8 is de eerste week van de ambulante behandeling bij U-center Driebergen. De patiënt is thuis en vervolgt de behandeling met e-health en enkele therapiesessies. Het is een week van grote aanpassingen, weg van de veilige omgeving van de kliniek. Psycholoog Yvette Hoebink maakt het eerste contact na thuiskomst van de patiënt. ‘Sommige patiënten voelen zich “genezen” en denken dat ze nooit meer terugvallen, waardoor ze optimistisch vooruit kijken. Andere patiënten vinden het juist spannend om weer thuis te zijn, omdat ze bang zijn voor terugval. Weer andere hebben stress omdat ze veel praktische zaken moeten regelen. Feit is dat 50 procent van de behandeling nog volgt. Na zeven weken opname in de kliniek volgen zeven weken ambulante behandeling, waarin patiënten in hun eigen thuissituatie aan de slag gaan met datgene wat ze tijdens de opname geleerd hebben. Er zijn in de thuissituatie veel “triggers” die oud gedrag uitlokken en er is tijd om te oefenen met nieuw gedrag.’

Thuisomgeving
Om de overgang van klinische naar ambulante zorg goed te laten verlopen, is Hoebink al geruime tijd van tevoren bezig met de overdracht. Er vindt overleg plaats met de hoofdbehandelaar in Epen over doelen en aandachtspunten. Hoebink leest het dossier en zorgt voor contact met de psychiater, zodat ook alle details over medicijngebruik duidelijk zijn. ‘Het eerste contact met de patiënt in de thuisomgeving is cruciaal, daar gaat veel aandacht naar uit’, licht Hoebink toe. ‘Wij bellen direct op de dag van thuiskomst met de patiënt. Tijdens dit eerste telefoongesprek gaan we uit van het principe terugkijken, stilstaan en vooruitkijken. Samen bespreken we de ervaring van de thuiskomst, het verloop van de rest van de week, de aandachtspunten voor de ambulante behandeling en alle zaken waar de patiënt behoefte aan heeft. De patiënt zelf is in Epen al goed voorbereid op de nieuwe situatie. In de tweede reeks van zeven weken gaan we nieuw gedrag in de praktijk brengen. We starten met e-health van U-care; regelmatig contact verloopt via videochat en de patiënt gaat zelf bloggen.’

Nieuw referentiekader
De eerste week van ambulante zorg gaat intensief van start. Hoebink: ‘Het programma is helder en overzichtelijk, het contact regelmatig. We zijn alert op het contact met patiënten. Al bij het eerste gesprek maken we afspraken over wat zowel de patiënt als ik kan doen als het een keer iets minder goed gaat met hem of haar. Mocht dit een keer het geval zijn, zoals bij een terugval in oud gedrag, dan denken sommigen dat ze helemaal terug bij af zijn. Dit is natuurlijk niet het geval, omdat ze inmiddels al veel handvatten en inzichten hebben meegekregen. Op zo’n moment geven we ze dat perspectief mee’, aldus Hoebink. De meeste patiënten willen volle kracht vooruit als ze eenmaal thuis zijn. ‘Alles wat ze in de kliniek in Epen hebben geleerd, willen ze direct toepassen. Soms is dat te veel. De eerste week is juist het moment om alle impressies te verwerken en om thuis te
acclimatiseren. De meeste mensen zijn ook echt moe. Rust is simpelweg nodig. Deze mensen op hun gemak te stellen, vertrouwen te geven en samen de positieve lijn voort te zetten, is een mooie taak.’

Yvette Hoebink
Yvette Hoebink studeerde Gezondheid en Sociale Psychologie aan de Universiteit van Maastricht. Na haar studie is ze bij U-center begonnen. Hoebink heeft de opleiding EMDR afgerond en is nu bezig
met de opleiding tot cognitief gedragstherapeut van de VGCT®.


Onderzoek: hoeveel patiënten blijven na behandeling van de middelen af?

Cijfers over resultaten van verslavingsbehandelingen zijn in Nederland schaars. U-center volgt patiënten systematisch tot drie jaar na behandeling en is onlangs nagegaan hoeveel patiënten door de jaren heen van de middelen weten af te blijven.
 
Zeker voor verslavingsproblematiek is de periode ná de behandeling cruciaal. Dan moet de patiënt op eigen kracht abstinent weten te blijven. De huidige verplichte rom-metingen leren ons weinig over het langetermijnsucces van een verslavings) behandeling. Om daar meer inzicht in te krijgen is het zaak om de patiënt ook na afloop van zijn therapie te volgen. U-center doet dit sinds enige tijd tot drie jaar na de behandeling. Om ook inzicht te krijgen in het behandelresultaat bij oudere patiëntgroepen, heeft de Universiteit van Maastricht retrospectief onderzoek verricht. Lees het hele artikel van Janneke Giesen, Ingrid Weijnen, Ingrid Candel en Anita Jansen in Maandblad Geestelijke Volksgezondheid

Gastcolumn: wees alert op problematisch alcoholgebruik

Waarom zou een arts patiënten vragen naar hun alcoholgebruik? Redenen genoeg. Eén op de tien valt in de categorie ‘probleemdrinker’. Klachten als slapeloosheid, maagpijn en hoge bloeddruk kunnen ermee samenhangen. Bijna 90 procent van de artsen ziet het ook als hun taak om alcoholmisbruik op te sporen. De praktijk toont echter een discrepantie. Niet eens de helft vraagt patiënten daadwerkelijk naar hun alcoholgebruik. Zelfs wanneer ze dat wél doen, besteedt amper een kwart tijd aan de behandeling ervan. Waarom zou je als arts niet vragen naar alcoholgebruik? Als beleidsadviseur van KNMG heb ik een antwoord gezocht op die vraag. We hebben het project ‘Praten met de patiënt over alcoholproblematiek’ gestart. Een belangrijk onderdeel hiervan was een enquête onder onze achterban - onder wie huisartsen, bedrijfsartsen en psychiaters. Verderop in deze nieuwsbrief kunt u lezen welke antwoorden zij gaven. Han Willems en ik hebben als onderzoekers hierover gepubliceerd in Medisch Contact (Medisch Contact 68, nr. 15). Wat ons met name opviel, was dat onze ‘drankcultuur’ grote invloed uitoefent. Artsen vinden zichzelf al snel moraliserend, zijn bang de arts-patiëntrelatie op het spel te zetten of weten niet hoe ze dit onderwerp moeten aansnijden. Het eigen drankgebruik speelt mee als referentiekader: 90 procent drinkt zelf – hoewel grotendeels met mate en niet dagelijks. Is er een oplossing? Wat ons betreft wel. Laat je opvattingen achterwege en stel de vraag neutraal. Neem het alcoholgebruik bijvoorbeeld mee in de algemene leefstijlanamnese. Patiënten voelen zich dan juist serieus genomen. Alleen al het advies om minder te drinken, kan het alcoholgebruik met 10 – 16 procent verminderen.
Ellen Burgering, beleidsadviseur KNMG

Onderzoek KNMG: waarom vragen artsen niet naar alcoholgebruik?

Elke arts onderkent de invloed van alcohol op het ontstaan of verergeren van somatische en psychische klachten. En tóch vraagt slechts een minderheid van hen in de anamnese naar drankgebruik (40%). Artsenfederatie KNMG enquêteerde 257 leden om uit te zoeken hoe dat komt.
 
De groep geënquêteerden bestond overwegend uit huisartsen (54,1%), bedrijfsartsen (14,7%) en psychiaters (10,9%). Daarvan was de meerderheid tussen de 46 en 60 jaar. Ongeveer evenveel mannen als vrouwen vulden de vragenlijst in. De meeste artsen gaven aan zelf met mate alcohol te drinken (89,1%). Bij een derde speelde dit mee in het bespreken van alcoholproblematiek, bijvoorbeeld doordat het eigen gebruik het referentiekader vormde. 60 procent gaf aan niet te vragen naar alcoholgebruik, terwijl amper een kwart van de respondenten tijd besteedt aan de behandeling van problemen wanneer daar sprake van blijkt.
 
Belemmeringen
Volgens KNMG noemden artsen diverse belemmeringen om alcoholgebruik ter sprake te brengen tijdens een anamnese. Sommige belemmeringen zijn technisch van aard. Zo gaf een deel van de respondenten te weten dat de kennis over klachten, risicogroepen en kortdurende interventietechnieken onvoldoende is. De behoefte aan nascholing en aan een eenduidige norm voor ‘problematisch alcoholgebruik’ is groot. Ook zou het vergoedingenstelsel een disbalans laten zien tussen ‘harde somatiek’ en gespreksvoering over psychische problemen. De auteurs noemen het ‘onverwacht’ dat zoveel artsen niet op de hoogte zeggen te zijn van interventie-instrumenten die ‘al jaren beschikbaar zijn’.
Lees verder op pagina 3
 
Ongemakkelijk
Volgens de auteurs Ellen Burgering en Han Willems van KNMG voelen veel artsen zich ongemakkelijk bij het onderwerp ‘drankgebruik’. Het zou bij sommigen niet in het rijtje standaardvragen zitten. Bovendien zou er een gevoelsmatige afstand zijn, waardoor het niet bij artsen opkomt om over het onderwerp te beginnen. Ook zouden artsen niet weten hoe ze het onderwerp neutraal kunnen aansnijden. Een vijfde van de respondenten zegt weerstand te voelen bij deze categorie patiënten.
 
Aanbevelingen
De auteurs doen diverse aanbevelingen aan beroepsbeoefenaars en hun wetenschappelijke en beroepsverenigingen. Zo stellen ze voor om de vraag over alcoholgebruik standaard op te nemen in de anamnese, om een eenduidige norm voor problematisch alcoholgebruik te stellen en om alcoholproblematiek te behandelen in de basisopleiding. Verder is het volgens hen van belang dat er geïnvesteerd wordt in kennis over risicogroepen, over symptomen en over interventie- en communicatietechnieken. Tot slot wordt aanbevolen het huidige vergoedingenstelsel aan te passen, zodat recht wordt gedaan aan de tijdsinvestering die gepaard gaat met het voeren van een gesprek.
 
Wat vindt U-center?
‘Voor de preventie en vroegtijdige signalering van alcoholverslaving neemt de rol van huisartsen toe in belang’, zegt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. ‘Het kabinet legt steeds meer taken bij hen neer, die nu nog tot het domein van de ggz behoren. Wij denken dat deze ontwikkeling een gunstig effect kan hebben als de ggz en huisartsen hun samenwerking versterken en kennis delen. Een huisarts of bedrijfsarts heeft baat bij de deskundigheid van de ggz, terwijl een goede intake door een ggz-instelling steunt op het voorwerk van een arts. Wij willen deze samenwerking bevorderen en wanneer gewenst artsen ondersteunen met onze specialistische kennis.’

Intensive Cure: week 7, van klinisch naar ambulant

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week zeven van de behandeling.
 
Week 7 is met aftrek van een intensieve intake- en diagnoseweek de zesde behandelweek. Het is de laatste week van de klinische behandeling in het resort in Epen. Meteen erna hervatten patiënten hun leven en blijven ze 7 weken onder ambulante behandeling bij U-center Driebergen. Het is een week waarin veel op ze afkomt, vertelt hoofdbehandelaar Ingrid Leenders. Zij voert veel van de exitgesprekken. ‘Er moet veel gebeuren in week 7. We voeren diverse tests uit, patiënten oefenen met hun terugvalpreventieplan en met ons eHealthsysteem U-care. We doen daarnaast een ROM-nameting, die de effectiviteit van de behandeling in kaart brengt. Intussen gaat de therapie in individuele en groepsvorm gewoon door. Je ziet patiënten denken: dit ga ik niet redden.’
 
Vrees 
‘Het hoort erbij’, vertelt Leenders. ‘Aan het einde van de klinische behandeling volgt vrijwel altijd een opleving van oude klachten. De zelftwijfel slaat dan toe. Patiënten vrezen dat de nieuwe gedragspatronen nog niet in hun systeem zitten. Ze ervaren soms alweer de druk van de situatie thuis, bijvoorbeeld een veeleisende werkgever.’ Die vrees is volgens Leenders terecht. ‘Een klinische omgeving is een soort “bubble”. Het is een situatie waarin patiënten in korte tijd een enorme verandering kunnen maken.’ De omgeving waarin ze terugkeren is echter onveranderd. Leenders: ‘Het vergroot de uitdaging om nieuw gedrag te bestendigen. Dezelfde nervositeit zie ik trouwens bij partners en familie. Die vragen zich af: wat krijg ik terug?’
 
Angsten reguleren
Volgens Leenders biedt het ambulante traject van zeven weken het vangnet dat patiënten en hun sociale omgeving nodig hebben. ‘Met eHealth en terugkomdagen geven we de middelen en ondersteuning om de nieuwe patronen in te slijten. Al vanaf week 4 zijn we bezig om die transfer van klinisch naar ambulant te organiseren. Vanaf week 5 gaan we trainen met U-care, het eHealthsysteem dat is gebaseerd op videochats en dagelijkse blogs. In de laatste week richten we ons op het reguleren van angsten en bereiden het gezin of de werkgever voor op de terugkomst van de patiënt.’ Een groot deel van die activiteiten valt onder de noemers ‘bewustwording’ en ‘verwachtingsmanagement’. Leenders: ‘Het zal niet van een leien dakje gaan. Als iedereen daarvan is doordrongen, is de kans op succes groter.’
 
Volgende stap
Komt het wel eens voor dat een patiënt in week 7 nog niet klaar is voor de ambulante behandeling? ‘Dat zou raar zijn’, zegt Leenders. ‘We kunnen ruim van tevoren een inschatting maken van wat nodig is en het programma daar op aanpassen. Indien noodzakelijk kan een verlenging overwogen worden. Het is uitzonderlijk dat we in week 7 van de behandeling nog verrassingen tegenkomen. Het behandelteam kan op basis van de problematiek van de patiënten een goede inschatting maken van wat een overgang van klinisch naar ambulant met een patiënt doet. Vrijwel iedereen heeft moeite met afscheid nemen en daar helpen we de mensen mee.’
 
Ingrid Leenders
Ingrid Leenders is GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut VGCT en hoofdbehandelaar bij U-center.

Verslavingsarts Dick van Geest: 'Je kunt jarenlang functioneren met een alcoholprobleem'

De specialistische verslavingszorg zit op de bovenste tree van ‘stepped care’. Toch heeft verslavingsarts Dick van Geest regelmatig patiënten zonder voorgeschiedenis in eerste- en tweedelijnszorg. ‘Bij alcoholproblematiek kan het jaren duren voordat iemand niet meer functioneert.’
 
Dick van Geest was huisarts voordat hij de stap maakte naar de verslavingsgeneeskunde. Hij berekent: gemiddeld 2.200 patiënten per praktijk, waarvan circa 10 procent te maken heeft met alcoholproblematiek. 200 tot 250 probleemdrinkers dus. ‘Aan een handvol is het écht te merken’, zegt hij. ‘Bij de rest moet je graven. Dat wordt zeker niet altijd gedaan. Ik herken het beeld uit het onderzoek van KNMG.’
 
Grenzen oprekken
‘Het lijkt erop dat je met alcohol jarenlang kunt blijven functioneren’, zegt Van Geest. ‘Dat is het verraderlijke. Als je een probleem niet in een vroeg stadium signaleert, is er een redelijke kans dat het pas gebeurt bij een alcoholcontrole of in de specialistische zorg. De grenzen zijn vaag en worden steeds een stukje verder opgerekt. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat bourgondiërs die niet weten dat ze problematisch drinker zijn. Veel vrouwen zijn bijvoorbeeld gewend om drie wijntjes per dag te drinken. Er is echter gezondheidsschade en een probleem krijgt kans om te groeien.’
 
Inzicht verschaffen
Juist voor die groep ‘onwetenden’ kan een medisch specialist een rol spelen, denkt Van Geest. ‘Niet beoordelend of moraliserend, maar puur inzicht verschaffend in gezondheidsrisico’s. Dat overmatig drinken somatische en psychische klachten kan verergeren en veroorzaken.’
 
Dick van Geest
Dick van Geest is verslavingsarts bij U-center en Master in Addiction Medicine.

WAR-lid Geert Dom over alcoholgebruik onder artsen

Geert Dom deed in België onderzoek naar het alcoholgebruik onder medisch specialisten. Hem viel het grote verschil op tussen de drankcultuur van jongere en oudere beroepsbeoefenaars. ´Er komt een generatie aan die ook voor zichzelf kritischer kijkt naar alcoholgebruik.´
 
Vragen Belgische medisch specialisten vaker naar drankgebruik bij patiënten dan Nederlandse?
 ‘Nee, ik zie op dit gebied weinig verschillen tussen Belgische en Nederlandse medisch specialisten. Het beeld is trouwens ook elders grotendeels hetzelfde en een gekend probleem. Vragen naar drankgebruik schiet er doorgaans bij in. In Europa komt slechts 8,4 procent van de patiënten met alcoholproblemen op de juiste plek. Het gebrek aan systematische screening is onderdeel van dat probleem.´
 
Drankcultuur speelt volgens het onderzoek van KNMG een rol. Herkent u dat?
 ‘Zeker, het eigen referentiekader kan zeer bepalend zijn. Wat mij opviel, was dat de verschillen in drankgebruik tussen oudere en jonge medisch specialisten vrij groot waren. Op basis daarvan heb ik de verwachting dat de nieuwe generaties eerder geneigd zijn om problematisch drinken te signaleren. De lat ligt simpelweg lager.’
 
Welke invloed hebben medisch specialisten?
 ‘Een substantieel deel van de alcoholverslaafden is met vroege interventies binnen de eerstelijn bij te sturen. Mensen die echte verslavingsproblemen hebben, zijn het topje van de ijsberg. Dat is 2 procent van het geheel. Ongeveer 20 procent van de volwassenen drinkt gewoonweg te veel en loopt daardoor gezondheidsschade op of veroorzaakt die – bijvoorbeeld in het verkeer. Van deze 20 procent schiet niet iedereen door naar een ernstige verslaving. Sterker: in die groep zitten mensen die zich van geen kwaad bewust zijn.’
 
Prof. dr. Geert Dom
Geert Dom is verslavingsarts en verbonden aan het psychiatrisch onderzoekscentrum van de Universiteit Antwerpen. Hij is daarnaast voorzitter van de Belgische Beroepsvereniging voor Geneesheren- Specialisten in de Psychiatrie en lid van de wetenschappelijke en klinische Adviesraad van U-center (WAR).
 

 

CEO Albert Hietink: ‘De black box van de ggz moet open’

Zorgverzekeraar CZ gaat volgend jaar zorg voor complexe psychische problemen selectief inkopen. De ‘black box’ van de ggz moet open. Ik ben het helemaal met die aanpak eens. Transparantie en focus zijn snel nodig om de zorg voor psychische problemen naar een hoger niveau te brengen. Het ambitieniveau moet echt omhoog.
 
Er is nog te veel vrijblijvendheid in onze sector. Het is zeker niet altijd duidelijk wat het effect is van een behandeling. Het heeft jaren geduurd voordat de sector het eens werd over de invoering van Routine Outcome Monitoring (ROM), een methode om de effectiviteit van behandelingen te meten. Het gaat nog jaren duren voordat die methode ook werkelijk wordt toegepast op alle patiënten: aan het einde van dit jaar moet elke ggz-instelling cijfers aanleveren van slechts 40 procent van de populatie.
 
CZ gaat proberen om met selectieve inkoop het ambitieniveau van ggz-instellingen op te krikken. Als zij hun effectiviteit op grote schaal in kaart brengen en publiek maken, komt er een ingrijpend professionaliseringsproces op gang waar de patiënt – en dus de samenleving - van zal profiteren. Geconfronteerd met cijfers, zullen organisaties gedwongen worden om hun processen te verbeteren en hun kennis op peil te brengen. Ze zullen gedwongen worden om de meest recente wetenschappelijke inzichten aan te wenden om hun behandelingen te versterken. Wij hebben dit aan den lijve ondervonden. Al in 2011 hadden wij van bijna 90 procent van onze patiënten ROM-gegevens. Met de cijfers in de hand hebben we onze operatie in de afgelopen twee jaar naar een hoger plan gebracht.
 
Hoe gaat CZ selectief inkopen? Dat is nog de vraag. GGZ Nederland stelt terecht dat het initiatief lovenswaardig is, maar dat het benieuwd is naar de criteria. Ik deel dat voorzichtige enthousiasme. Wijzelf zijn bijvoorbeeld gespecialiseerd in behandeling van de dubbeldiagnose: complexe diagnoses waar bijvoorbeeld depressie samengaat met alcoholverslaving, en een angststoornis met een onderliggen trauma. Dit zijn zeer ingewikkelde gevallen die vaak pas bij een intensieve intake aan het licht komen. Ik nodig CZ van harte uit om met de ggz een discussie te voeren over hun inkoopcriteria. Ze kunnen de ggz verbeteren. Daar draag ik graag aan bij.

Column Arko van Brakel: Fit is het nieuwe rijk

Fitheid is het nieuwe rijk, op macro- en op microniveau. Het verlicht de druk op het zorgstelsel, waardoor we op kosten kunnen besparen. Het maakt waardecreatie mogelijk, omdat mensen langer in staat zijn om het beste uit zichzelf te halen wanneer ze vitaal zijn. In een samenleving waar zorgkosten uit de pan rijzen, is fitheid onbetaalbaar. 
Je zou denken dat deze gedachte onderhand wortel heeft geschoten. Toch merk ik dat nog lang niet alle geesten rijp zijn voor de circular economy. De gewoonte om reserves uit te putten is hardnekkig, ook waar het gaat om ‘human resources’. Wat dat betreft staan we nog met één been in het industriële tijdperk. We zoeken de kortste route naar het grote geld. Toch is er geen ontkomen aan die circular economy. Als we onze pensioenen in de hand willen houden en de zorg betaalbaar, zullen we de gezondheid van mensen ‘langer houdbaar’ moeten maken. Als we willen dat mensen gelukkiger worden en hun potentie verwerkelijken, als we willen dat ze betere burgers en betere medewerkers worden, dan bestaat er in mijn optiek geen andere weg. 
We moeten van opgebruiken naar hergebruiken. Dat geldt net zo goed voor mensen als voor grondstoffen. U-center en de Baak vinden elkaar in deze visie. Natuurlijk, we zitten op verschillende plekken in de keten en onze aanpak is wezenlijk anders. Maar waar het gaat om vitaliteit, proberen we een vergelijkbare verandering teweeg te brengen. We helpen mensen met fundamentele keuzes in hun leven, met het kiezen van een rol waarin ze kunnen excelleren. Daarom verwacht ik dat onze paden in de komende jaren steeds vaker zullen kruisen. En niet alleen omdat we beide op Landgoed De Horst in Driebergen zijn gevestigd.
Arko van Brakel, Algemeen Directeur van opleidingsinstituut de Baak

Korte cursussen bij U-center Personal Development

U-center gaat zich vanaf deze lente richten op lifetime learning. Oud-patiënten kunnen bij U-center Personal Development in de dependance in Driebergen terecht voor korte opfriscursussen, workshops op maat en eventueel zelfs een summercamp met trainingen.

U-center Personal Development wordt een volwaardige tak naast U-center Personal Recovery. De nieuwe tak richt zich met cursusaanbod op oud-patiënten die behoefte hebben aan opfriscursussen, of zich gewoon verder willen ontwikkelen. Vaste onderdelen van de behandeling in Epen, zoals ‘Zuurstof voor de Ziel’ en Acceptance and Commitment Therapy, zijn doorontwikkeld tot workshops. In de komende maanden komt er stapsgewijs meer aanbod bij. De meeste cursussen duren een dag of dagdeel. In de toekomst zullen mogelijk cursusweekenden op maat, of summercamps georganiseerd worden.

Persoonlijke groei
De cursussen van Personal Development worden door professionals van U-center gegeven in de dependance in Driebergen. In deze omgeving van opleidingsinstituut de Baak zijn veel andere organisaties gevestigd die zich richten op persoonlijke en professionele groei. ‘Dat is wat ons betreft de juiste toon’, vertelt CEO Albert Hietink. ‘Na het hersteltraject volgt persoonlijke groei. Een van onze oud-patiënten verklaarde vorig jaar tijdens de reünie dat hij zijn behandeling bij U-center als ‘persoonlijke ontwikkeling’ benoemt op zijn CV. ‘Dat raakt wat mij betreft de kern van wat we teweeg willen brengen.’


Intensive Cure: week 6 van de behandeling

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week zes van de behandeling.
 
In week zes (minus de intakeweek is dit behandelweek 5) wordt de blik nadrukkelijk gericht op terugkeer. In de weken ervoor zijn patiënten geleidelijk opgeknapt, soms met een korte terugval en daaropvolgend een doorbraak. De contouren van een nieuwe manier van leven worden zichtbaar. ‘De uitdaging is dan om te zorgen dat de nieuwe gedragspatronen ook buiten de veilige omgeving van de kliniek een stootje kunnen hebben’, zegt psycholoog Mieke Dorssers.
 
Bijstellen
Dorssers is vervangend hoofdbehandelaar en maakt deel uit van het intaketeam. Ze begon bijna vier jaar geleden als psycholoog in U-center en volgde onder meer een opleiding in cognitieve gedragstherapie en EMDR. Door welke fase gaan patiënten wanneer ze in week zes zitten? Dorssers: ‘Laten we een depressieve patiënt als voorbeeld nemen. Depressiviteit heeft veel oorzakelijke factoren en de behandeling vraagt om diverse invalshoeken. Mensen met een depressie hebben last van disfunctionele cognities met een pathologisch gedeprimeerde stemming en verlies van belangstelling en/of genoegen als gevolg. Kenmerkend voor een depressieve stoornis is de zogeheten ‘mood congruent retrieval bias’ en de ‘mood congruent attention bias’, die dusdanig verwijzen naar de sturing van herinnerings- en aandachtsprocessen zodat somber stemmende informatie voorrang krijgt. Dat betekent dus dat een depressie in zekere zin zelfbestendigend is. De depressogene cognities die onderliggend zijn aan dit proces, worden in de eerste weken ontzenuwd. In de laatste weken werken we samen met de patiënt aan consolidering van de vaardigheden die hier voor nodig zijn.’
 
Zelfredzaamheid
Een denkpatroon dat heel veel depressieve patiënten delen, is dat ‘het eerder ook niet is gelukt om eruit te komen, dus dat zal nu ook vast niet lukken’. Dorssers: ‘Die gedachte moet je als behandelteam voortdurend uitdagen. Hiervoor bedienen we ons grotendeels van cognitieve gedragstherapie; een bewezen effectieve behandeling van depressie.’ Wat is het verschil met de weken ervoor? Dorssers: ‘We beginnen zelfredzaamheid te stimuleren. Een voorbeeld: bij het oefenen van gedachtenschema’s is niet meer per definitie een therapeut nodig. De hulpmiddelen zijn beschikbaar en bekend, nu gaat het erom dat patiënten gewoon worden om ze zelf te gebruiken.’
 
Gedragsactivatie
‘Een van de grootste valkuilen van depressieve patiënten is dat ze in hun eigen omgeving vervallen in passiviteit’, zegt Dorssers. ‘Volgens de Theorie van Lewinsohn, de grondlegger van de gedragsactivatie, ontstaat een depressie en wordt deze respectievelijk onderhouden door een tekort aan bekrachtiging van gedrag. In de zesde week besteden we samen met de patiënt aandacht aan het behouden van een zo optimaal mogelijke dagbesteding. We werken een weekschema uit waarin bepaalde activiteiten al structureel vastgelegd worden, zoals taken en plezierige en sociale activiteiten. Als een patiënt in zijn thuisomgeving komt en aan het ambulante traject gaat werken, moet hij verder kunnen bouwen op de fundering die in de kliniek in Epen is gelegd.’ 
 
Over Mieke Dorssers
Mieke Dorssers studeerde Geestelijke Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit van Maastricht. Samen met haar collega Bart van den Boogard schreef zij het burn-out-protocol dat bij U-center wordt gehanteerd. Daarnaast werkt Dorssers veel met andere klachtgebieden, waaronder depressie.

CEO Albert Hietink: 'De weg naar boven doorzetten'

‘Of het nu gaat om depressie, verslaving of burn-out, uit alle cijfers blijkt dat je er aan moet blijven werken’, zegt CEO Albert Hietink van U-center. ‘Met de cursussen van U-center Personal Development willen we ondersteuning bieden bij het doorzetten van die weg naar boven.’

‘De laatste jaren hebben we steeds nieuwe onderdelen aan de behandeling toegevoegd die kunnen helpen om verdere groei mogelijk te maken’, vertelt CEO Albert Hietink. ‘We hebben de nazorggroepen van U-support geïntroduceerd en er is een nieuw behandelmodel gekomen met zeven weken aanvullende ambulante behandeling. Met Personal Development willen we ondersteuning bieden bij de stap die daarna volgt: het inzicht in jezelf aanwenden voor persoonlijke ontwikkeling.’
 
Doortimmerd
Volgens Hietink bleek de behoefte aan opfriscursussen onder oud-patiënten de laatste jaren groot. ‘We hadden al eerder kunnen starten met een ambulante tak. Maar het is niet handig als je dat vanuit Limburg doet en ik vind dat je eerst een sterke visie moet hebben. Wat wil je bereiken? We wilden dus eerst zeker zijn van een passende cursuslocatie en een doortimmerde visie. We hebben de juiste locatie vorig jaar gevonden in Driebergen bij de Baak. Daar verzorgen we nu al het ambulante gedeelte van de behandeling. In de afgelopen maanden hebben we hard gewerkt aan een cursusprogramma dat voor patiënten herkenbaar is en bewezen effectief. Uitgangspunt is steeds dat de oud-patiënt empowered wordt, dat hij instrumenten leert beheersen waarmee hij of zij zichzelf verder kan ontwikkelen.’
‘Personal development is een mooi uitgangspunt’, vindt Rudolf Ponds, bijzonder hoogleraar Medische Psychologie aan Maastricht University en lid van U-center’s Wetenschappelijke en klinische Adviesraad. ‘Aan preventie kleeft de suggestie dat je steeds op omvallen staat. Het gaat erom dat je uit die situatie klimt door jezelf sterker te maken.’
 
Wat is uw indruk van Personal Development?
‘Deze cursussen vormen een mooie aanvulling op het totaalpakket dat U-center biedt. eerst zeven weken intensieve behandeling in de kliniek, vervolgens zeven weken ambulante behandeling, aansluitend nazorg in de groepen van U-support en nu dus ook eventueel korte interventies naar behoefte. Ik verwacht dat het de effectiviteit van de behandeling zal vergroten.’
 
Welke visie spreekt er volgens u uit?
‘De ambitie is dat de ggz méér is dan alleen een plek waar je een reparatie uitvoert. Als het onderhoud goed is, zijn reparaties te voorkomen. Op zichzelf is dat natuurlijk geen nieuwe visie, maar de invalshoek wel. Doorgaans ligt de nadruk op preventie: je staat voortdurend op omvallen en moet voorkomen dat je een zetje krijgt. Het uitgangspunt van Personal Development is positiever: persoonlijk groeien en jezelf weerbaar maken. Dat is een krachtiger uitgangspunt.
 
In hoeverre is dit een thema voor de WAR?
‘Deze cursussen kunnen invloed uitoefenen op de effectiviteit van het totaalpakket. Vanuit dat perspectief zullen we met belangstelling naar Personal Development kijken.’
Het programma van U-center Personal Development is grotendeels gebaseerd op onderdelen van de behandeling, vertelt bestuurssecretaris Michael Bouman, die aan de basis stond van de nieuwe tak. ‘Het zijn vooral de behandelonderdelen die iets losmaken in patiënten.’ 
 
Vooralsnog zijn er vier workshops te volgen bij U-center Personal Development. Daarvan zijn er nog twee in ontwikkeling. ‘Oud-patiënten kunnen bij ons terecht voor Zuurstof voor de ziel en ACT Reloaded’, vertelt Michael Bouman. Beide zijn belangrijke onderdelen van de klinische behandeling in Epen. ‘Zuurstof voor de ziel is een workshop van de toneelspelers Sjeng Verheijden en Ryan van den Akker. Leren uiten van je emoties, daar gaat het om. ACT Reloaded is gebaseerd op Acceptance and Commitment Therapy, een effectieve en pragmatische gedragstherapie die mensen helpt om zich te richten op zaken die ze op een directe manier kunnen beïnvloeden.’
 
Zelfmanagement
Het zijn niet de harde therapeutische onderdelen van de behandeling. ‘Dat punt zijn oud-patiënten voorbij’, vertelt Bouman. ‘Het gaat nu om zelfmanagement, om het verbeteren van de technieken die oud-patiënten helpen om verder te groeien.’
 
Cursusaanbod
ACT reloaded
Zuurstof voor de Ziel
Sociale Gezondheid 2.0 (in ontwikkeling)
Burn-out Next (in ontwikkeling)

Peiling: werknemer verwacht weinig steun van werkgever

Depressie blijft een lastig onderwerp op het werk. Uit een peiling van U-research blijkt dat veel medewerkers weinig verwachten van hun werkgever als het gaat om steun bij een depressie. Een groot deel licht zijn werkgever niet in en organiseert zelf eventueel hulp.
 
De peiling werd gehouden onder 810 respondenten, een dwarsdoorsnede van de Nederlandse beroepsbevolking. Daaruit bleek dat vrijwel de helft van de werknemers zijn werkgever niet inlicht bij een depressie. Van deze werknemers zoekt 39 procent zelf hulp en doet 10 procent niets met zijn probleem. Tegelijkertijd is de angst voor een negatief effect op de loopbaan groot. Ruim 35 procent denkt dat een depressie geen groot effect zal hebben op de loopbaan, maar 49 procent verwacht een negatief effect en 20 procent denkt ontslagen te zullen worden in het geval van een depressie. 
 
Geen actie 
De respondenten werd ook gevraagd naar het beeld dat zij hebben van hun werkgever. Ruim 70 procent denkt dat de werkgever op de hoogte is van depressieve medewerkers, maar bijna 60 procent denkt deze werkgever geen actie onderneemt op basis van deze kennis. 33 procent van de respondenten denkt dat een of meer collega’s te maken heeft met een depressie.
 
Bespreekbaar maken
Algemeen Directeur Albert Hietink: 'We geven regelmatig trainingen aan werkgevers over depressie, burn-out en andere psychische problemen. Daaruit blijkt bijna altijd dat werkgevers graag hun medewerkers willen helpen, maar niet de kennis en inzicht hebben om problemen tijdig te signaleren. Het zit soms gewoonweg niet in de cultuur om zaken bespreekbaar te maken. Toch is dat wat mij betreft de enige weg. er moeten mogelijkheden zijn voor sociaal contact. wat wij bijvoorbeeld vaak voorstellen, is om tijdens afdelingsoverleg standaard te vragen hoe het met mensen gaat. Dat kan de verhoudingen minder formeel maken en stelt leidinggevenden in staat om veranderingen in situaties op te merken. Het alternatief is dat mensen alles bij zichzelf houden en “opeens” voor langere tijd uitvallen, als het echt niet meer gaat.’
Loopbaanconsequenties
Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen: ‘We hebben voor deze peiling van u-research gekeken naar denkbeelden die bestaan onder de Nederlandse beroepsbevolking. Die zijn van grote invloed op de ontwikkeling van depressie als maatschappelijk probleem. Wat we zien is dat veel werknemers vrezen voor de loopbaanconsequenties van een depressie. Ze vrezen geen steun te krijgen van hun werkgever, of achten ontslag reëel. of dit beeld terecht is, doet niet direct ter zake. De vraag is juist: wat betekent dit denkbeeld voor hun handelen? Het lijkt erop dat werknemers geneigd zijn om hun sores voor zich te houden. een depressie krijgt daardoor mogelijk de kans zich te ontwikkelen tot een ernstig probleem. ik denk dat werkgevers zichzelf en werknemers veel ongeluk besparen door helder te zijn over het protocol en de gevolgen bij een depressie. Dat maakt het mogelijk om sneller te signaleren, vroeger te behandelen en de schade beperkt te houden.’
 
Over U-research
U-research is de onderzoekstak van u-center. Hiertoe behoort hard wetenschappelijk onderzoek van U-science, zoals de periodieke ROM-metingen en promotieonderzoek naar de oorzaken van burn-out, depressie en verslaving. U-research voert echter ook peilingen uit: van de tevredenheid van u-center’s patiënten en naar de opvattingen van Nederlanders over psychische problemen. Alle onderzoeken van u-research zijn toegankelijk op www.u-center.nl/u-research.

 

Adequate depressiezorg door huisartsen 

De koppen logen er de afgelopen jaren niet om. ‘Antidepressivagebruik kan met driekwart omlaag’ , ‘huisartsen schrijven veel onnodig en te gemakkelijk antidepressiva voor.’ Tijd om op zoek te gaan naar de wetenschappelijke basis van deze beweringen. Dat was de gedachte in het begin van mijn promotietraject. Verrast waren wij daarom over onze resultaten uit de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Daaruit bleek dat huisartsen maar zeer weinig zonder goede indicatie antidepressiva voorschreven. Van het kleine percentage patiënten dat wel onterecht behandeld werd met antidepressiva, was dat in de meeste gevallen het gevolg van onterechte onderhoudsbehandeling. De angst dat huisartsen te gemakkelijk naar antidepressiva grijpen en weinig gebruik maken van andere behandelmogelijkheden, bleek ook ongegrond. In NESDA werd meer dan de helft van de depressieve patiënten verwezen. De zorg voor depressieve patiënten door Nederlandse huisartsen is dus adequaat. Zijn er dan helemaal geen verbeterpunten meer? Dat wel. Een review toonde aan dat er geen bewijs is voor onderhoudsbehandeling met antidepressiva in de eerste lijn. Toch gebruikt een toenemende groep patiënten deze middelen chronisch. Bovendien bleken deze patiënten geen indicatie hiervoor te hebben volgens de nhg-standaard. Tijd voor alle huisartsen om aandacht te besteden aan patiënten die chronisch antidepressiva gebruiken. De zorg voor depressieve patiënten door huisartsen is adequaat, laten we de zorg voor depressie beter maken!
 
Promovenda Ellen Brand-Piek, UMC Groningen 
 

 

Intensive Cure: week 5

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week vijf van de behandeling.
 
De week van de waarheid, dat is de vijfde week (vierde behandelweek) in U-center volgens hoofdbehandelaar Jeanine Souren. ‘Nou ja, gemiddeld genomen dan. Er zijn natuurlijk verschillen tussen personen en tussen problematieken. Er worden consequent lagen afgepeld: door 1 op 1 gesprekken met therapeuten, maar ook door de groepsdynamiek en interventies. Het grote geheel wordt meer voelbaar, net als de samenhang van problemen. Sommige patiënten worden dan overvallen door twijfel en zien het even niet meer zitten. Ze zijn in de weken ervoor afgepeld, steeds verder. Vanuit die kwetsbaarheid begint langzaam het opbouw proces waarbij we streven naar een gezondere manier van omgaan met de problematiek.’
 
U-turn
Waarom komt die realisatie juist in week vier? ‘Patiënten zitten onder in onze “u-turn”, zegt Souren. ‘We zitten dan bij de kern. Patiënten overzien hun leven en de verandering die nodig is. Een belangrijke ‘trigger’ voor die twijfel is de Family & Friends Day, die dan net is geweest. Ze zijn zelf al behoorlijk veranderd en worden op die dag geconfronteerd met hun geliefden, die het behandelproces niet hebben meegemaakt. Het gevolg is dat ze als hun “oude” depressieve, of verslaafde “ik” worden benaderd. Dat maakt veel los.’
 
Hanteerbaarheid
Bij al die emoties speelt schuldgevoel volgens Souren dikwijls een belangrijke rol. ‘We zien vaak dat ze op die dag werkelijk oog krijgen voor het leed van hun geliefden. Voor sommige patiënten is dat bijzonder heftig.’ Op dat moment is de kwetsbaarheid groot en dat is precies wat nodig is’, vertelt Souren. ‘Dan gaan we aan de slag met het betrekken van het systeem bij de behandeling; zodat ook het thuisfront mee kan groeien met de veranderingen van de patiënt.’
 
Overgave
‘Voor een therapeut is dat het moment om stevig te gaan staan’, zegt Souren. ‘Om patiënten voor te houden: je bent op de goede weg. Want in wezen geven ze zich door die wanhoop pas écht over aan hun behandeling. We geven ze op dat moment de fundamenten die ze nodig hebben. Ik pak dan bijvoorbeeld de behandeldoelen erbij die in week 1 zijn opgesteld, om te wijzen op de veranderingen die al zijn ingezet. Week vier is dus echt een breekweek: we gaan langzaam weer opbouwen.”
Over Jeanine Souren 
Jeanine Souren is hoofdbehandelaar bij U-center en specialist in Acceptance and Commitment Therapy (ACT).
 

 

Nieuwe voorlichtingsvideo's: twee kijktips voor U-tube

Hoe zit een behandeling bij U-center in elkaar? Waaraan herken je de symptomen van een depressie? Op Youtube en op de website van U-center vindt u in het vervolg voorlichtingsvideo’s over ggz-problematiek en over het behandelbeleid van U-center. 

 

Depressie is een lastig begrip. Wanneer ben je depressief en wanneer niet? Hoe ziet een behandeling eruit van intake tot nazorg? In nieuwe voorlichtingsvideo's geeft U-center op een begrijpelijke wijze antwoord op dit soort basale vragen. Hoofdbehandelaar en GZ-psycholoog Roberto Bini behandelt in drie korte uitlegvideo's de symptomen van depressie, hoe je het beste iemand kunt helpen en mogelijke comorbiditeit. Deze video's zijn hier te vinden. In drie animaties, die hier te vinden zijn, wordt de totaalbehandeling van U-center ontleed en stap voor stap uitgelegd. 
 

Intensive Cure: week nul 

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week 0. De aanloop naar de intake

‘Iedereen meldt zich aan bij ons communicatiecentrum’, zegt GZ-psycholoog Hanneke Kroeze. Ze is gespecialiseerd in diagnostiek. ‘We werken daar met psychologen. Door hun inhoudelijke kennis kunnen ze meteen veel nuttige informatie verzamelen voor de intake. De intake zelf duurt een paar dagen en bestaat uit enkele elementen. We doen metingen, observeren, voeren gesprekken met de patiënt, praten met naasten, stellen een intakeverslag en behandelplan op.’
 
Metingen
Een belangrijk onderdeel van de intake zijn de ROM-metingen. Patiënten vullen vragenlijsten in die door de wetenschap zijn ontwikkeld. Kroeze: ‘Het helpt ons om de ernst van de klachten te bepalen. Bovendien creëren we zo een startpunt. Na de behandeling volgt een vervolg ROM-meting. Dan kunnen we de mate van herstel bepalen.’
 
Gesprekken
Het zwaartepunt van de intake ligt op gesprekken met het multidisciplinaire team waarmee U-center werkt. Zij stellen systematisch vragen die geleidelijk de problematiek helder maken. De samenstelling van dat team kan wisselen. Kroeze: ‘We laten altijd een psychiater, psycholoog en arts gesprekken voeren. Wanneer het verslaving betreft, betrekken we er ook een verslavingsarts bij. Voor patiënten met een burnout hebben we een speciaal burn-out team, dat we voor de intake kunnen inschakelen. Er is meestal sprake van meerdere diagnoses; van comorbiditeit. We kijken dus per patiënt naar de optimale samenstelling van het intaketeam.’
 
Heteroanamnese
‘Het perspectief van de directe omgeving van een patiënt kan veel informatie verschaffen over de problematiek’, zegt Kroeze. ‘Daarom vragen we de partner of familie om een ‘heteroanamnese’ te ondergaan. Zo vergaren we extra informatie en krijgt de naaste van de patiënt de gelegenheid om zijn of haar visie over te brengen. We vinden dat belangrijk, omdat de patiënt nooit op zichzelf staat. Je moet het “systeem” erachter in kaart te brengen en betrekken bij de behandeling, zodat de verandering van beide kanten komt. Vandaar dat we later in het traject ook Family & Friends dagen organiseren, om naasten te laten zien welke ontwikkeling patiënten doormaken in Ucenter.’
 
Vernieuwing
Na de metingen, diagnostiek en heteroanamnese wordt een intakeverslag gemaakt en een behandelplan op maat ontwikkeld. De patiënt krijgt het te zien en tekent voor akkoord. Dat moment van offi cieel instemmen is belangrijk voor de motivatie. Kroeze: ‘De patiënt denkt mee over het behandelplan. Zo sturen we al vroeg aan op zelfredzaamheid, wat natuurlijk steeds belangrijker wordt met het oog op het einde van de behandeling.'

Zorgvuldigheid voorop

De black box van de GGz gaat open. In de komende twee tot drie jaar krijgen we inzicht in de effectiviteit van ongeveer de helft van de behandelingen. Patiënten krijgen zo inzicht in de prestaties van zorgaanbieders, die op hun beurt het zorgproces kunnen optimaliseren. Verzekeraars kunnen op termijn zorgaanbieders met elkaar vergelijken. Dat is een enorme stap vooruit, voor iedereen. Hiertoe maken we gebruik van patiëntgebonden uitkomstgegevens, die zorgaanbieders verzamelen om het verloop van de behandeling te volgen: Routine Outcome Monitoring (ROM).
Als manier om behandeleffect te meten is deze methodiek onomstreden. Hij wordt in het buitenland al jaren gebruikt. Verschillende wetenschappers zetten echter hun vraagtekens bij het gebruik van ROM als benchmark. Worden appels en peren hier niet op één hoop gegooid? Wordt er wel voldoende rekening gehouden met verschillen in de doelpopulaties van zorgaanbieders? SBG denkt dat een betekenisvolle benchmark realiteit kan worden. Het is een kwestie van verfijnen, om gaandeweg tot een ‘standing practice’ te komen. 
Bij SBG ben ik onafhankelijk bestuurslid. Ik kijk als directeur Marketing en Verkoop van de divisie Zorg & Gezondheid van Achmea echter wel vanuit het perspectief van onze verzekerden. Voor klanten is het van groot belang om inzicht te krijgen in de effectiviteit van zorgaanbieders. Daarvan kan echter pas sprake zijn als we ook werkelijk tot een eerlijke vergelijking komen. Daarom vind ik het goed dat stakeholders in de ggz zich betrokken tonen en meedenken. Uiteindelijk is de waarde die we uit conclusies kunnen trekken belangrijker dan snelheid. Zorgvuldigheid staat voorop.
 
 
Olivier Gerrits, bestuurslid SBG

Onderzoek: twee nieuwe strategieën tegen terugval

U-center zet met onderzoek in op diverse strategieën om abstinentiecijfers naar een hoger niveau te tillen. In 2013 lopen twee van dit soort studies, vertelt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen.


1. Studie 1: actietendens en werkgeheugen
Weijnen: ‘Dit is een studie van Andrea Wolf, promovenda aan de Universiteit van Amsterdam. De these is dat een cocaïneverslaving (maar ook afhankelijkheid van andere middelen) gedeeltelijk is ‘weg te trainen met computertaken. Patiënten volgen een training om hun actietendens om een middel te benaderen te verzwakken   en om hun werkgeheugen om meer grip te krijgen op hun verslaving te versterken. Dit onderzoek borduurt voort op een studie in verslavingskliniek Salus in Berlijn – waar U-center veel mee samenwerkt. In Salus werd de actietendens van alcoholafhankelijken getraind, met 10 procent minder terugval als gevolg.’ 

2. Studie 2: effectiviteit en voorspellers Baclofen
Weijnen: ‘We geloven in de kracht van onze biopsychosociale filosofie, en we zetten sterk in op cognitieve gedragstherapie, maar  we kijken altijd naar nieuwe ontwikkelingen op alle vlakken. Daarom zijn we blij dat we een multi-center onderzoek, vanuit de Universiteit van Amsterdam, kunnen includeren waarin we een mogelijk veelbelovend medicijn koppelen aan ons behandelmodel. Baclofen is oorspronkelijk een spierverslapper, maar velen claimen dat het ook een effectief middel is bij de behandeling van verslaving. Dat moet natuurlijk systematisch onderzocht worden in een dubbelblind studie. Ook de aandacht die promovenda Esther Beraha Menahem met als promotor Reinout Wiers, zal hebben voor comorbiditeit van verslaving met depressie en/of angststoornis is voor ons interessant, omdat we al jaren investeren in kennis van comorbiditeit. We zijn erg benieuwd of de inzichten die deze studie oplevert een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de beperking van terugval.’

Benchmark effectiviteitsonderzoek
Naast deze twee studies loopt het permanente onderzoek naar de effectiviteit van U-center’s behandeling door Maastricht University. Deze zogenoemde ROM-metingen brengen in kaart in hoeverre patiënten van de kliniek herstellen tijdens hun verblijf, tot jaren nadien. Weijnen: ‘Ons streven is om al onze prestaties meetbaar en dus transparant te maken. De uitkomsten van de ROM vormen een mooie benchmark voor de resultaten uit de twee lopende onderzoeken.’  

 

Column Prof. Reinout Wiers: Slimmer behandelen

Verslaving slimmer behandelen, dat is waar we naartoe moeten. Of beter: gepersonaliseerd behandelen. Een behandeling die kan vastgrijpen op een unieke mix van factoren die samen het gezicht van een verslaving bepalen. Die de voedingsbodem voor terugval kan wegnemen tot een niveau waarop je echt nog alleen over ‘eigen verantwoordelijkheid’ kunt hebben.

Naar percentages gerekend hebben we nog een lange weg te gaan. Sinds jaar en dag geldt voor verslaving een terugvalpercentage van 50 procent na één jaar, en 70 procent na drie jaar. Het blijkt heel moeilijk om die cijfers naar beneden te krijgen. Anders gezegd: het blijkt verdomd lastig om de puzzelstukjes compleet te krijgen van een puzzel die per patiënt verschilt.

Toch kan het. Vorig jaar vonden we een fors onderdeel van de totale puzzel in onze studie naar de manipulatie van een cognitieve bias. We bedachten in samenwerking met verslavingskliniek Salus in Berlijn –waar U-center ook mee samenwerkt – een interventiemethode die beschreven kan worden als een vorm van “Cognitieve Bias Modification”. We constateerden dat dit de kans op terugval met ruim 10 procent kan verkleinen, een bevinding die we recent repliceerden.

Momenteel doet mijn promovenda Andrea Wolf een vergelijkbare en uitgebreide studie binnen U-center waarvan wij veel verwachten. En zo zijn er meer sporen die veelbelovend zijn. In deze editie van U-center’s nieuwsbrief leest u meer over de samenwerking van mijn onderzoeksgroep binnen de UvA en onder meer U-center in ons onderzoek naar het spierverslappende middel Baclofen, door velen geprezen als ‘wondermiddel’ tegen alcoholverslaving. Het moet gezegd: de geboekte resultaten maken indruk en lijken terugval te kunnen beperken tot 40 procent. Tijd dus om een diepgaande studie te verrichten.

We gaan onderzoeken in welke mate Baclofen effectief is bij hoge doseringen en of deze effectiviteit verschilt bij subgroepen van patiënten, bijvoorbeeld mensen die een onderliggende depressie of angststoornis hebben. Zo hopen we een nieuwe ‘voorspeller’ te identificeren in de behandeling van verslaving. Waarmee die ‘slimme behandeling’ opnieuw een stap dichterbij komt.

Reinout Wiers, hoogleraar Ontwikkelingspsychopathologie aan de Universiteit van Amsterdam


Onderzoek in U-center naar 'wondermiddel' Baclofen

In de behandeling van alcoholverslaafden worden opmerkelijke successen geboekt met het geneesmiddel Baclofen, dat daardoor al als 'wondermiddel' te boek is komen te staan. In U-Center zal vanaf februari 2013 een onderzoek van start gaan waarin de effectiviteit van Baclofen bij alcoholafhankelijkheid onderzocht wordt.  

Het onderzoek betreft een samenwerking met de Universiteit van Amsterdam. Er wordt gekeken in welke mate Baclofen een bijdrage levert in de behandeling, en of hogere doseringen de werkzaamheid vergroten. Baclofen is oorspronkelijk ontwikkeld en geregistreerd als spierverslapper.

Deelname aan het onderzoek
Voor dit onderzoek zoekt U-center patiënten die aan alcoholafhankelijkheid lijden en aan deze studie willen deelnemen. Het onderzoek maakt deel uit van een totaaltraject dat bestaat uit 7 weken klinische opname en 7 weken ambulante behandeling in U-center.

Wilt u meer informatie over deze studie, neem dan contact met ons op.


‘Een burn-out wijst juist níet op zwakte’

Toen AkzoNobel's nieuwe topman onlangs bekendmaakte tijdelijk terug te treden vanwege vermoeidheid, zakte de beurskoers in en stak een kleine mediastorm op. Voor Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen is het een bewijs voor het taboe op de burn-out. 'De ontkenning maakt het probleem voor organisaties alleen maar groter.'

'Eigenlijk is het begrip van burn-out binnen veel organisaties fundamenteel onjuist', stelt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. 'Mensen associëren het nog steeds met zwakte. Terwijl het omgekeerde vaak het geval is. Kijk naar de statistieken. Burn-out komt vaak voor onder mensen die een belangrijke rol vervullen en een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Hoewel burn-out absoluut kan voorkomen bij mensen die zich overvraagd voelen in de hectiek van de organisatie, zijn het toch vaak de ambitieuze, bevlogen medewerkers. Mensen die moeilijk gemist kunnen worden. Juist omdat ze zo sterk zijn en anderen graag een beroep op ze doen, hebben ze de neiging om op teveel verschillende vlakken te willen excelleren.'

Te laat
Volgens Weijnen is het niet te verwachten dat mensen met deze eigenschappen tijdig aan de bel trekken. 'Daar zijn ze te gedreven en te gretig voor. Ze blijven doorgaan en zijn bang dat ze geremd worden in hun ambities en plannen. Ik denk dat organisaties het risico op een burn-out daarom beter bespreekbaar kunnen maken en zelf in de gaten moeten houden welke medewerkers tot de risicogroepen behoren.' Volgens Weijnen is dit gedeeltelijk te ondersteunen met recente cijfers. 'We hebben in de zomer een peiling laten verrichten om in kaart te brengen welke denkbeelden de Nederlandse beroepsbevolking heeft bij burn-out. Een belangrijke vraag in deze peiling was: "welke gevolgen denkt u dat een burn-out heeft voor uw loopbaan?".' De resultaten geven volgens Weijnen inzicht in de vrees van de gemiddelde Nederlandse medewerker om op een zijspoor te raken. Een kwart van de 810 respondenten verklaarde een positief effect of geen effect te verwachten, bijna 70 procent verwachtte een negatief effect en daarvan dacht liefst 36 procent aan ontslag. Weijnen zegt niet te weten of deze angsten reëel zijn of niet. 'Dat zal per werkgever verschillen en heeft te maken met de positie en voorgeschiedenis van de medewerker. We kunnen wel voorzichtig stellen dat deze angsten invloed hebben op het handelen. Je kunt je voorstellen dat deze mensen niet snel open kaart zullen spelen met hun werkgever.' Weijnen vindt dat werkgevers proactief het gesprek aan moeten gaan met hun medewerkers. 'Zet in op preventie en geef inzicht in de gevolgen bij burn-out. Welke ondersteuning biedt een werkgever? Met openheid op de werkvloer kunnen werkgevers problemen in een vroeg stadium voorkomen.'


Welke druk verlagen?

Deze nieuwsbrief gaat over werkdruk en burn-out. Sommige mensen zien die twee nog steeds als oorzaak en gevolg. Stijgende werkdruk en een evenredige toename van stress zouden leiden tot een burn-out. De omgekeerde redenering is even hardnekkig ingeburgerd. Een opgelopen burn-out zou vast verband houden met een te hoge werkdruk. Ik spreek uit ervaring wanneer ik zeg dat het zo simpel niet ligt. Burn-out is een gecompliceerde diagnose, een samenspel van een groot aantal factoren. Hij ontstaat wanneer iemand geen gelegenheid krijgt om te herstellen van stress, om te ontspannen. Of beter: wanneer iemand zichzelf geen gelegenheid geeft om te herstellen van stress. Uiteindelijk loopt de emmer over. Burn-out is niet alleen een reactie op externe factoren, zoals werkdruk. Het is met name een gevolg van een bepaalde levenshouding. De wijze waarop je omgaat met druk. Enkele jaren voordat ik Algemeen Directeur werd van U-center, heb ik een burn-out gehad. Terugkijkend kan ik concluderen dat het een optelsom was van jarenlang een verkeerde levenshouding. Ik heb me teveel laten uitputten door mijn verantwoordelijkheidsgevoel en perfectionisme. Goed, de werkdruk was hoog en ook in mijn priveleven had ik te maken met stress. Maar wat echt bepalend was: de manier waarop ik er mee omging. Wanneer ik spreek met onze patiënten, herken ik veel van mezelf in de verhalen die ze vertellen. We proberen de balans te herstellen door patiënten nieuwe patronen te leren. Onze burn-outspecialisten hebben hiervoor een speciaal burn-out protocol opgesteld. We verlagen niet de werkdruk van onze patiënten, want die is niet objectief en dus betrekkelijk. We verlagen de druk in henzelf.
Albert Hietink, Algemeen Directeur van U-center


Burn-out team ontwerpt nieuw behandelprotocol

U-center heeft bijzondere expertise in huis waar het burn-out betreft. Al sinds het ontstaan van de kliniek dragen burn-out deskundigen zorg voor een deskundige behandeling op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Onlangs is er een nieuw protocol opgesteld voor burn-out, dat nog meer aansluiting zoekt met de wetenschap en dat het re-integratieproces verder zal versterken.

'De term burn-out leidt nog wel eens tot spraakverwarring', vertelt Bart van de Boogard, psycholoog bij U-center, met expertise in burn-out. 'Veel mensen denken aan overwerktheid of overspannenheid. De associatie is vaak louter psychisch. Echter, het is wel een psychosomatische aandoening. Een klassieke burn-out manifesteert zich als letterlijke uitputting.' Dat fysieke aspect speelt een belangrijke rol in de behandeling. 'We werken eerst toe naar een basale energiehuishouding voordat we met bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie beginnen. Sommige klinieken lijken dat nog wel eens te vergeten en beginnen direct met therapie. Het gevolg is dat een patiënt niet in staat is om daar goed op te reageren. Als de cognitieve vermogens van een patiënt niet optimaal zijn, beklijven de inzichten door therapie minder goed.'

Re-integratie
Cognitieve vermogens versterken, is het startpunt van het nieuwe burn-out protocol dat Van de Boogard onlangs schreef met zijn collega Mieke Dorssers. Daarin verwerkten ze de meest recente wetenschappelijke inzichten en versterkten ze de band met re-integratie. 'Het was ons vooral te doen om het traject na een behandeling. Welke handvatten geven patiënten de beste ondersteuning bij hun terugkeer in de werkomgeving? Welke informatie kan een bedrijfsarts het beste gebruiken om herstel te monitoren en te vervolgen? We hebben met name aandacht besteed aan deze onderdelen. Ook omdat U-center sinds vorig jaar actief bijdraagt aan re-integratie met een eigen Team Arbeid en Gezondheid.' De eerste periode van re-integratie is volgens Van de Boogard cruciaal. 'Patiënten moeten dan een fundamenteel andere houding aan nemen. Daar hebben ze optimale ondersteuning bij nodig. Wij gaan ervoor zorgen dat ze die ook krijgen.'


'CEO's zeker niet gedoemd tot burn-out'

Vragen we teveel van mensen in leidinggevende functies? Is een burn-out een logisch gevolg als de emmer van verantwoordelijkheden overloopt? Voorzitter Max Beekers van de Wetenschappelijke en klinische Adviesraad (WAR) weet wel beter. 'Een burnout komt voort uit een lange periode van werkstress, die op zijn beurt het gevolg is van het samenspel tussen de factoren persoonlijkheid, functie en organisatie.'

Max Beekers wordt er een beetje moe van. De vraag of bedrijven niet teveel vragen van hun topmannen, is volgens hem een non-issue. Beekers: 'We stellen die vraag ook niet met betrekking tot wereldleiders. Ik denk dat de druk en verantwoordelijkheid nog wel wat groter zijn bij bijvoorbeeld de politici die momenteel een oplossing moeten vinden voor de schuldencrisis. Daarmee vergeleken heeft de gemiddelde CEO een redelijk relaxed bestaan.'

Onmenselijk
AkzoNobel's mededeling dat bestuursvoorzitter Ton Büchner zich tijdelijk terug zou trekken, bleek aanleiding voor veel media om zich af te vragen of topmannen in het bedrijfsleven de druk nog wel aankunnen. Of zij nog wel menselijke trekken mogen tonen. Beekers denkt dat in die vraagstelling een verkeerde aanname zit. 'De suggestie die wordt gewekt, is dat topmannen daar geen invloed op hebben. Terwijl dat me de kwestie niet lijkt. Zij hebben juist veel te zeggen over de dosering van hun activiteiten, de ondersteuning die ze daarbij krijgen en de tijd die ze reserveren om te herstellen. Als het daaraan schort, kun je spreken van "eigen schuld". Bovendien, vervolgt Beekers, wordt iemand niet zomaar CEO. 'Het is een proces van jaren, waarin de verantwoordelijkheid steeds verder wordt opgebouwd en iemand daarmee leert omgaan.'

Samenspel
Volgens Beekers ontstaat een burn-out nooit ineens, en door uitsluitend werkdruk al helemaal niet. 'Je kunt daardoor niet spreken van een grotere kans op burn-out onder topmannen - daar is naar mijn weten ook geen enkel bewijs voor te vinden. Elk geval is uniek, de ervaring van werkdruk wordt bepaald door het samenspel van de factoren 'persoonlijkheid', 'functie' en 'organisatie'. Dat verschilt van geval tot geval. Wil er vervolgens een burn-out ontstaan, dan is er veelal ook een verband met de privésituatie. Iemand krijgt dan kennelijk niet de kans om te herstellen. Ik denk dat we voorzichtiger moeten omgaan met het toeschrijven van burnout aan de hoogte van de functie en de omvang van de onderneming.


‘Vanzelfsprekende dingen waren nu een opgave'

Een aanzienlijk deel van de patiëntenpopulatie in U-center heeft een veeleisende baan. Sommige patiënten vervullen zelfs topfuncties in het publieke of bedrijfsleven. Volgens Bert Rademaker van het Communicatie Center is er geen bewijs dat burn-out vaker onder deze groep topmensen voorkomt. 'Maar de gevolgen voor het functioneren zijn vaak wel ingrijpender.' 

Zeer recent nog kwam een topman van een grote Nederlandse ondernemingen voor een behandeling in U-center, vertelt Rademaker. 'Deze man vertoonde alle tekenen van een burn-out. Hij was door omstandigheden niet in staat om de toegenomen druk op zijn werk te verlichten in zijn vrije tijd.'

Sociale angsten
Wat was er precies gebeurd? Rademaker: 'Deze man maakte deel uit van de top van het bedrijf, wat de nodig verwantwoordelijkheden met zich meebrengt. Daar kon hij normaal gesproken goed mee overweg, totdat werk en privé door elkaar begonnen te lopen en hij daar de gevolgen van voelde. Daardoor ging hij risicomijdend gedrag vertonen. Dit mondde uit in sociale angsten. Hij was op den duur bijna niet meer in staat om bijeenkomsten voor te zitten die voorheen een normaal onderdeel van zijn werk vormden. Als je een leidinggevende functie hebt, is zoiets natuurlijk funest.'

Veerkracht
'Dingen die normaal gesproken vanzelfsprekend waren, bleken nu een opgave. Dat is hoe ik de situatie van deze man zou typeren', vertelt Rademaker. 'Het past goed in het beeld van een burn-out. We hebben deze man geholpen een cognitief basisniveau te bereiken om van daaruit actief te werken aan een gezonde energiehuishouding. Vervolgens hebben we hem geholpen zijn sociale angsten te overwinnen. Wat me opviel, was zijn enorme veerkracht. Binnen zeven weken was hij weer op de been en kon hij beginnen met zijn re-integratie.'


Effectmeting: 4 op 5 patiënten ziet klachten significant afnemen

Tot 80 procent van U-center’s patiënten ziet door de behandeling de klachten afnemen. Dat blijkt uit een effectmeting van Maastricht University over het jaar 2011.

In het rapport zijn de metingen van 326 patiënten meegenomen: 148 mannen en 178 vrouwen. Zij kregen bij aanvang en einde van de behandeling in U-center twee vragenlijsten: de BDI-III (een vragenlijst met betrekking tot depressieve klachten) en de BSI (een vragenlijst waarmee een reeks van psychische klachten in kaart wordt gebracht).

Resultaten
Ruim 70 procent van de patiënten liet een significante verbetering zien op de BDI-III en tot 80 procent toonde een significante verbetering op de BSI. Voor de BDI-III geldt dat het groepsgemiddelde van ‘matig ernstig’ depressief naar ‘minimaal’ depressief verschoof. Het groepsgemiddelde voor de BSI verschoof van ‘pathologisch’ naar ‘gezond’. Een opmerkelijke verschuiving: 43,9 procent van de patiënten die op de voormeting ‘ernstig depressief’ scoorden, zagen hun klachten volgens de nameting verminderd tot ‘minimaal’.

Effectgrootte
De mate van verbetering werd vastgesteld door het zogenaamde Cohen’s (Cohen’s d) effect te berekenen. Bij een ‘d’ van 0.20 spreken we van een klein effect, bij een d van 0.50 van een middelgroot effect en bij een d van 0.80 van een groot effect. De gemiddelde Cohen’s effectgrootte van de BDI-III was 1.39 en van de BSI 1.16. Dat is een zeer sterk effect.

Over de effectmeting
Maastricht University meet periodiek de effecten van de behandelingen die U-center biedt. Het gebruik daarvoor ‘Routine Outcome Monitoring’, een methode die wordt voorgeschreven door GGZ Nederland en verplicht wordt gesteld door de zorgverzekeraars. In 2011 was U-center de eerste kliniek in de ggz die op zeer grote schaal ROM-metingen presenteerde.


Oud-patiënt Daniejel: 'Voor mij staat Epen voor de omslag'

'Ik ben tot nu toe elk jaar naar de reünie gekomen, drie keer in totaal. Elke keer doet het iets met me om die tocht naar Epen opnieuw af te leggen. Heenweg: raar gevoel in mijn maag. Mijn ouders brachten me. Ik was verslaafd aan alcohol en aan drugs. Eerst naar de detox en daarna wekenlang therapie. De eerste twee weken snapte ik er niks van. Daarna viel het kwartje en ging het heel snel. Na vier weken mocht ik al weg. Terugweg: grote angst. Ik werd opgehaald door mijn ouders en had totaal niet het idee dat ik het aankon. Ik had alles tegen: geen man, geen kinderen, geen werk. Op karakter heb ik me erdoor geslagen. Werk gevonden, nieuw leven opgebouwd. Voor mij staat Epen voor de omslag. In U-center ben ik herboren. Ik kwam op de 26ste binnen, ook de dag waarop ik jarig ben. De melancholie was dit jaar bescheiden. Voor het eerst was de reünie niet in Epen, maar in Driebergen. Aan de ene kant enorm jammer, want je komt vooral om dat gevoel opnieuw te beleven. Oja, daar staat de piano, hier was mijn kamer. Je komt om te merken dat je zóveel verder bent. Dat besef wil ik delen met andere oud-patiënten. En ik wil dankbaarheid overbrengen op de therapeuten. Aan de andere kant was wil ik graag weten waar ze in Epen mee bezig zijn, zelfs als het betekent dat ik daarvoor naar Driebergen moet komen. Er is een nieuw behandelmodel, met een ambulante nabehandeling. Dat is geweldig voor nieuwe patiënten. De dependance op landgoed De Horst is prachtig en ademt de sfeer van Epen. Het is een plek waar nieuwe patiënten vast graag naar zullen terugkomen. Volgend jaar wordt mijn laatste reünie. Dan is het genoeg geweest.


 Vierde patiëntenreünie in Driebergen

Hoe vergaat het patiënten nadat ze de kliniek hebben verlaten? Dat brengen we steeds beter in kaart, door ze na de behandeling periodiek te blijven monitoren. Maar we zien het ook tijdens de jaarlijkse reünie, die begin september voor het eerst in de dependance in Driebergen werd gehouden.

Vaak is het afscheid van een ggz-kliniek vrij abrupt. De behandeling is afgerond, er volgt mogelijk enige nazorg en dat was het dan. Als oud-patiënt sta je weer op eigen benen. ‘Aan de ene kant is dat noodzakelijk’, zegt Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen. ‘We willen patiënten niet afhankelijk maken van de kliniek, maar juist instrumenten geven om zelf aan de slag te kunnen. Aan de andere kant moet je die band niet helemaal verbreken. Patiënten ervaren regelmatig contact als een steun in rug.’

De reünie: een jaarlijks terugkerend evenement voor oud-patiënten van U-center. Doel is om ze in contact te brengen met mede-patiënten, en om de focus op herstel te leggen. ‘Die dualiteit zie je goed terug het programma’, vertelt Ingrid Weijnen. ‘Ook dit jaar boden we een afwisselend programma met enkele workshops waarvoor oud-patiënten zich vooraf konden inschrijven, bijvoorbeeld Acceptance and Commitment Therapy. Daaromheen was er een ontspannen samenzijn met op de achtergrond een bandje en een goede lunch. Het gaat er niet eens zozeer om dat we dit programma bieden, maar vooral dat we een ijkmoment creëren. Iedereen kijkt terug en zet zijn eigen periode in de kliniek in het perspectief van nu. Voor sommigen betekent het dat ze nog een tandje moeten bijzetten, voor anderen om met tevredenheid terug te kijken.’

Spiegelen
‘Geregeld contact verhoogt de motivatie om thuis het karwei voort te zetten en de zelfstandigheid te vergroten’, stelt Weijnen. 'We hadden al een uitgebreid zelfhulpnetwerk in de vorm van U-support en enkele terugkomdagen. Daar zijn onlangs onze ambulante nabehandeling van zeven weken, en de hulp bij re-integratie van ons team Arbeid & Gezondheid bijgekomen. De reünie blijft in dit geheel een belangrijk moment. We doen het al sinds jaar één. Oud-patiënten kunnen weer even spiegelen. Dat is goed voor het herstelproces.’

Toevoeging
Het was de eerste keer dat de reünie in Driebergen werd gehouden, de dependance voor de ambulante nabehandeling. Weijnen: ‘Normaal gesproken vragen we oud-patiënten om naar Epen te komen. Daar liggen al hun herinneringen. De dependance betekent echt een belangrijke stap in ons bestaan en een belangrijke toevoeging voor toekomstige patiënten. We wilden het pand graag officieel laten openen door oud-patiënten. Ze hebben het samen uitgepakt.’


 Intensive Cure: week 3 van de behandeling

Veertien weken Intensive Cure. Dat betekent zeven weken een intensieve klinische behandeling in Epen en zeven weken ambulante behandeling vanuit de dependance in Driebergen. In deze serie belichten we steeds een deel van het behandeltraject. Dit keer een indruk van week drie van de behandeling. Hoofdbehandelaar Ingrid Leenders: ‘Patiënten draaien dan al twee weken voluit mee en binnen de gestelde doelen verscherpen we accenten.’

De derde week in U-center Epen is de tweede behandelweek. Leenders: ‘De eerste week in de kliniek, de intake, staat in het teken van nauwkeurig diagnosticeren, de tweede week draait nog voornamelijk om acclimatiseren en wennen aan de nieuwe leefpatronen. In de derde week zijn de meeste patiënten al behoorlijk geïntegreerd. Ze draaien voluit mee in de groepen en gaan de diepte in tijdens therapie. Voor het behandelteam breekt daardoor een nieuwe fase aan. Je gaat accenten verleggen en kijken hoe je de behandeling zo gericht mogelijk kunt maken.’

Behandelteam
Leenders is hoofdbehandelaar en opgeleid als GZ-psycholoog en cognitief gedragstherapeut. ‘Elke patiënt heeft zijn eigen behandelteam, aangestuurd door een hoofdbehandelaar. Tijdens de intake stellen we vast wat de beste samenstelling van behandelaren is voor de betreffende patiënt. Bij comorbiditeit van bijvoorbeeld verslaving en depressie zullen dus tenminste een verslavingsarts en een psycholoog deel uitmaken van het behandelteam. Zo bieden we een multidisciplinaire aanpak. Het intaketeam stelt samen met de hoofdbehandelaar een geïntegreerd behandelplan op dat de klachten in samenhang aanpakt. Iedere behandelaar behandelt een onderdeel van de diagnose/ klachten vanuit zijn of haar eigen expertise en perspectief. Door dat perspectief te delen in het overleg, wisselen we inzichten uit die de behandeling sterker en beter geïntegreerd maken.’
 
Regulier programma
‘De informatie die we uitwisselen in het overleg, vertalen we steeds naar concrete stappen’, vertelt Leenders. 'We hebben het over gedrag, over de interactie van een patiënt met de groep en met behandelaren, en met zijn “systeem” thuis. Hoe reageert hij of zij op verandering? Houden de klachten verband met “coping”? Of gaan de klachten dieper en zijn ze verankerd in de persoonlijkheidsstructuur? Na week drie kun je pas goed beoordelen of klachten van pathologische aard zijn.’
 
Cruciale week
Week drie van de klinische opname is volgens Leenders een cruciale week. ‘Dikwijls is dit de week waarin een terugval in oude patronen plaatsvindt. Er komt iets los bij patiënten. Daar spelen we op in tijdens de behandeling, door bijvoorbeeld meer naar emoties op zoek te gaan, en naar onderliggende patronen. Patiënten kunnen op een bewuste manier in hun behandeling groeien en mede de regie krijgen. We vragen vanaf dat moment steeds vaker: waar ga je je, naast de individuele gesprekken, op richten in bijvoorbeeld de groepstherapie? Waardoor er gestreefd wordt naar een optimale integratie van geleerde inzichten in de praktijk volgens ons bio-psycho-sociaal model.’

‘Een hulplijn voor partners en familie’

Alle patiënten melden zich telefonisch aan bij het Communicatiecentrum, waar psychologen een eerste globale analyse maken. Het eerste contact wordt echter ook gelegd door partners of familieleden, vertelt manager Communicatiecentrum Bert Rademaker.

‘Uiteindelijk nemen patiënten altijd zelf contact met ons op’, vertelt Rademaker. Ze melden zich zélf aan. Maar in het voortraject komt het dikwijls voor dat een familielid of partner bij ons informatie inwint. In dat stadium kunnen we een belangrijk verschil maken: mensen maken zich zorgen en weten vaak niet goed hoe ze hun naaste moeten bewegen om zich te laten helpen. Het is belangrijk om je als kliniek in die positie te verplaatsen. Sommige mensen zijn de wanhoop nabij en hebben behoefte aan begrip en heldere tips.’

Hulplijn
‘Een paar maanden geleden belde een vrouw uit Hongarije. Zij en haar man woonden daar, maar waren oorspronkelijk Nederlands. Deze mevrouw belde ons omdat ze zekerheid zocht. Een Nederlandse stem, een Nederlandse kliniek. Ze zag ons letterlijk als een hulplijn. Een cruciaal telefoongesprek dus. Daar nemen we veel tijd voor, omdat we erkennen dat problemen altijd ontstaan in een sociale context, en daar ook invloed op uitoefenen. Het geruststellen en adviseren van een partner of familielid is even belangrijk als het inwinnen van informatie over de patiënt. We betrekken de naasten namelijk later in de behandeling. Dan is het belangrijk dat het eerste contact prettig is en iemand de ruimte krijgt om zijn of haar verhaal te doen.’

Doelen
‘In dit soort gesprekken werken we altijd naar tenminste twee doelen toe. We proberen het familielid of de partner handvatten te geven die ze helpen in de omgang met hun naaste. Daarnaast proberen we een eerste beoordeling te maken: kan een patiënt in U-center de zorg ontvangen die hij of zij nodig heeft? Het belangrijkste is echter dat een familielid of partner tips krijgt om zijn of haar naaste te bewegen zich aan te melden voor een intake.
 

Nieuwe website toegankelijker en informatierijker

Midden juli lanceerde U-center een geheel nieuwe website. Met een nieuwe huisstijl, duidelijker navigatie en verdiepende informatie voor alle stakeholders. Wat hebben wij u als professional te bieden?

1. Behandelprogramma
Bent u geïnteresseerd in het volledige behandelprogramma? De inhoud van de veertien behandelweken staat in detail beschreven.

2. U-filosofie
Waarom doen we wat we doen? Op de website vindt u alle grondslagen van U-center’s behandelfilosofie.

3. Onderzoeken
Door de raamovereenkomst met Maastricht University verschijnt vaak nieuw onderzoek. Over onze effectiviteit, maar ook over de oorzaken van burnout, depressie en verslaving.

4. Patiënttevredenheid
U kunt onze voortdurende monitoring van de patiënttevredenheid volgen, maar bijvoorbeeld ook de recensies van oud-patiënten inzien op het onafhankelijke zorgreferentieplatform ZorgkaartNederland.nl.

5. Nieuws & achtergrond
Op de website bieden we voortdurend actualiteit én meer. U vindt er binnenkort onder meer interessante artikelen over leden van onze Wetenschappelijke en Klinische Adviesraad. Van Max Beekers, Geert Dom, Anita Jansen, Harald Merckelbach, Jim van Os, Rudolf Ponds en Herman van Praag.


Een beslissende stap in ons bestaan

Het zijn uitdagende tijden voor U-center. Het laatste jaar hebben we ernaar gestreefd een inhoudelijk grote sprong voorwaarts te maken. In de kwaliteit en duurzaamheid van onze behandeling, en in de communicatie richting iedereen die betrokken is bij de kliniek.

Het heeft geleid tot drie vernieuwingen waar we trots op zijn, en die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Ten eerste ons nieuwe ambulante behandelprogramma, dat direct aansluit op de klinische behandeling in Epen en deel uitmaakt van het totaalprogramma dat we onze patiënten bieden. Ten tweede onze nieuwe behandelingslocatie in Driebergen. Op deze plek ondersteunen we de ambulante behandeling met onder meer terugkomdagen en e-health. Ten derde introduceren we een nieuwe website, waarmee we patiënten, familie, professionals en werkgevers op maat bedienen met alle mogelijke informatie over de kliniek en onze werkwijze. We vinden het belangrijk om in alles wat we doen transparant te zijn en onze ‘stakeholders’ te betrekken.
In deze nieuwsbrief kunt u lezen over de precieze inhoud van ons nieuwe ambulante behandelprogramma en over de nieuwe locatie in Driebergen. Met dit programma, waar we een jaar intensief aan hebben gewerkt in samenwerking met hoofdbehandelaars en de Wetenschappelijke Adviesraad, proberen we het effect van onze behandeling verder te verduurzamen. Met oog voor de rol van familie en werk. Op de nieuwe website is een beveiligd domein gecreëerd waar we patiënten een e-health programma bieden, en waar ze hun eigen herstel in kaart kunnen brengen. Alles is gericht op de bestendiging van de behandeling in de thuisomgeving. Allemaal om het effect van onze behandeling te vergroten en te verduurzamen.


Vernieuwd totaalprogramma, vanuit nieuwe locatie, ondersteund door nieuwe website

U-center streeft ernaar dit jaar een slag te maken in de verduurzaming van het behandeleffect. Een ambulante behandeling van zeven weken na het klinische traject gaat nieuw gedrag bestendigen in de thuis- en werkomgeving. Daarvoor is een dependance geopend in Driebergen, terwijl via de nieuwe website e-health wordt aangereikt.

Een nieuw behandelonderdeel, een nieuwe locatie en een gloednieuwe website met e-healthtoepassingen. In het afgelopen jaar kreeg de ontwikkeling van U-center een versnelling. Het ambulante behandeltraject duurt evenals de klinische behandeling zeven weken en is gericht op het inslijten van patronen in de thuisomgeving. De patiënt krijgt via de portal U-care, op de nieuwe website, thuis ondersteuning in de vorm van videochats en blogs. Hij of zij komt ook enkele keren ‘terug’ naar de dependance op landgoed De Horst in Driebergen.

Ambities
Volgens Directeur Behandelzaken Ingrid Weijnen zijn de drie ontwikkelingen logische vervolgstappen, gezien de ambities van de kliniek. ‘Vanaf dag één wilden we een concept neerzetten dat innovatief is, maar stevig gegrond in de wetenschap. Het draait allemaal om het duurzame karakter van behandelingen die zoveel mogelijk “evidence based” zijn. Als we kunnen voorkomen dat patiënten terugvallen, voegen we iets bijzonders toe aan de huidige ggz. De voorgaande jaren hebben we stevig geïnvesteerd in de structurering van de klinische behandelteams en in kennisoverdracht. Daarmee hebben we een fundament gestort waarop we momenteel verder bouwen.’


‘We maken de landing steeds zachter’

Het totaalprogramma van U-center is uitgebreid. Om de klinische behandeling van zeven weken in de thuisomgeving te bestendigen, krijgen patiënten vanaf 1 juli aansluitend een ambulante behandeling in hun thuisomgeving. Deze ambulante behandeling duurt eveneens zeven weken.

Bijna een jaar geleden begon toenmalig hoofdbehandelaar Astrid Regterschot samen met bestuurssecretaris Michael Bouman aan de ontwikkeling van U-center Driebergen. ‘We hebben een programma ontworpen dat gericht is op herhaling van het gedrag dat de patiënt in Epen aanleert’, zegt Regterschot, die nu hoofd is van het ambulante programma. ‘Ondertussen maakt de patiënt een routine van zijn of haar bezoek aan de zelfhulpgroepen van U-support.’

Zachte landing
‘De terugkeer van de patiënt in zijn thuis- en werkomgeving, is de laatste jaren minder abrupt geworden’, zegt Regterschot. ‘Met U-support en eventuele nabehandelingen zorgden we al voor een zachte landing. Ook hebben we de aandacht voor re-integratie vergroot door een Team Arbeid en Gezondheid samen te stellen. Het ambulante behandelprogramma is een volgende schakel.’ Na zeven weken van klinische behandeling in de kliniek in Epen, start de patiënt met een zeven weken durend online programma met terugkomdagen. Dit behandelprogramma kenmerkt zich door een afnemende intensiteit van begeleiding. Regterschot: ‘Afbouw van de zorg is belangrijk om de patiënt te leren te vertrouwen op zijn of haar eigen kracht en mogelijkheden.’

E-health
Tijdens de ambulante behandeling ligt de nadruk op e-health. De patiënt hervat zijn leven thuis en eventueel op het werk, maar blijft in contact staan met de kliniek. Regterschot: ‘De ervaringen die de patiënt opdoet, deelt hij in blogs en in videochats met de behandelaren. De behandelaren besteden vooral aandacht aan het herhalen en daarmee waarborgen van de inzichten en vaardigheden. De kracht van herhaling speelt een belangrijke rol bij het verlagen van het risico op een terugval.’

Terugkomdagen
In het ambulante programma doet de kliniek volgens Regterschot een duidelijke stap terug. ‘De patiënt krijgt ondersteuning van een afstand, maar moet vooral leren “om het zelf te doen”. In het programma zijn echter wel enkele fysieke contactmomenten ingebouwd, om de band sterk te houden. Er is één terugkomdag in Epen, en er zijn twee terugkommiddagen en een Family & Friends dag op de nieuwe behandellocatie in Driebergen.’


Nieuwe behandelingslocatie op Landgoed De Horst in bosrijk Driebergen

Op 1 augustus opent Ucenter zijn nieuwe locatie op Landgoed De Horst in Driebergen. Van daaruit zal het ondersteuning geven aan patiënten die het ambulante behandelprogramma volgen. ‘De Horst heeft het landelijke van Epen, maar is ook een levendige omgeving waar nadruk ligt op persoonlijke ontwikkeling.’

Het ambulante behandelteam zal De Horst als vaste basis krijgen. Patiënten die het ambulante behandelprogramma volgen, komen er twee keer op bezoek voor individuele en groepstherapie en een keer voor een Family & Friends dag. De dependance is gesitueerd in een paviljoen. Voor Family & Friends dagen of andere evenementen voor patiënten, kan U-center gebruikmaken van een grote presentatieruimte, op een steenworp afstand.

Positieve prikkels
Landgoed de Horst is een campus voor kennisintensieve bedrijven. Het terrein is eigendom van het vooraanstaande opleidingsinstituut De Baak en gelegen in de bosrijke omgeving van Driebergen. U-center is een partnership aangegaan met De Baak, dat een unieke positie heeft in Nederland op het gebied van leren, ontwikkelen en coaching. Op het landgoed zijn diverse organisaties op het gebied van werk en opleidingen gevestigd. ‘We hebben ruim een halfjaar gezocht naar een geschikte locatie’, vertelt bestuurssecretaris Michael Bouman. ‘Dat was niet gemakkelijk. Aan de ene kant zoek je de rust, de beslotenheid en het landelijke van de kliniek in Epen. Aan de andere kant wil je juist nadruk leggen op re-integratie, in een stimulerende omgeving.’

Volop in het groen
Landgoed De Horst biedt volgens Bouman beide. ‘We zitten volop in het groen, in de rust, net zoals in Epen. We hebben onze eigen plek en kunnen discretie bieden. Maar wie het Landgoed komt oprijden, over het bospad, merkt meteen bedrijvigheid. Er zijn organisaties gevestigd die opleidingen verzorgen, individueel en in groepen, summer schools, evenementen en lezingen. Dat past goed bij de sfeer die wij zelf willen creëren voor de patiënt. We willen in een omgeving zitten met een energieke sfeer, waar de nadruk ligt op het verbeteren van jezelf. Een omgeving waar gewerkt wordt en waar het een beetje bruist. Daarmee kunnen we zeggen: “je neemt nu een volgende stap, je gaat op een nieuwe manier weer aan de slag”.


U-center neemt als eerste zorgaanbieder arts Arbeid en Gezondheid in dienst

14 mei 2012

U-center gaat als eerste zorgaanbieder werken met een eigen arts Arbeid en Gezondheid, ook wel ‘bedrijfsarts’. Daarmee wil het de re-integratie van patiënten effectiever laten verlopen. Volgens de directie is het een win-win situatie voor alle betrokkenen.

De instelling van de functie arts Arbeid en Gezondheid is volgens Algemeen Directeur Albert Hietink primair bedoeld om het traject na de behandeling verder te verbeteren. De nieuwe arts zal een brugfunctie gaan vervullen tussen kliniek en werkgever, zodat de patiënt optimaal profiteert van de kennisoverdracht.

Overdracht van informatie
Hietink: ‘Uiteindelijk is het zaak dat de patiënt er snel weer bovenop komt en duurzaam re-integreert. In de “overdracht” van kliniek naar werkgever speelt informatievoorziening een bepalende rol. Een arts Arbeid en Gezondheid kan daarin uitstekend voorzien. Die begrijpt het perspectief van de patiënt, de kliniek en de werkgever. Hij of zij is in wezen een “tolk”. Ons doel is om onze patiënten veilig aan wal te zetten. In die ambitie was deze functie een ontbrekende schakel.’

Onafhankelijkheid
Zeer recent nog berichtte het programma Zembla over misstanden bij de grote verzuimbureaus in Nederland. Die zouden medische informatie doorspelen aan werkgevers, en werknemers onder druk zetten om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan. Het zou verband houden met het feit dat bedrijfsartsen direct of indirect betaald worden door de werkgever. ‘De uitbreiding van onze zorg is geen directe reactie op die commotie’, zegt Algemeen Directeur Albert Hietink. ‘De kans op duurzaam herstel is gewoon het grootste als ook de werkgever op een goede manier betrokken is. Het welzijn van de patiënt moet tijd het uitgangspunt zijn. We hebben trouwens wél gelet op de discussie die vorig jaar begon over de onafhankelijkheid van bedrijfsartsen.’

Zorgelijke discussie
Uit een rapport van onderzoek- en adviesbureau AStri in 2011 bleek dat veel bedrijfsartsen regelmatig worden gevraagd medische gegevens van werknemers te verstrekken. Dat terwijl deze onder hun beroepsgeheim vallen. In het onderzoek kwam ook naar voren dat bedrijfsartsen die werkzaam zijn bij een externe arbodienst niet goed toegankelijk zijn. Ook zouden bedrijfsartsen beroepsziekten te weinig melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. ‘Wij willen geen oordeel vellen over de onafhankelijkheid en toegankelijkheid van bedrijfsartsen. Maar we vinden het zorgelijk dat zo’n discussie bestaat. De onpartijdigheid van een arts moet boven alle twijfel verheven zijn. Als er maar een vleugje waarheid in zit, is het effect van de behandeling mogelijk in het geding. Vooral bij GGz-problematiek kan veel vooruitgang razendsnel ongedaan worden gemaakt. Wij willen daarvoor waken.’

Effectiviteit
Volgens Hietink begint U-centerin eerste instantie met één arts Arbeid en Gezondheid. ‘De functie wordt een standaard onderdeel van ons pakket. Als blijkt dat de effectiviteit van de behandeling verder verbetert door dit onderdeel, zullen we er verder in investeren.’


Groep hoogleraren onder aanvoering Jim van Os luidt alarmklok over benchmark ROM

16 april 2012

Routine Outcome Monitoring (ROM) ligt onder vuur. Jim van Os, één van de critici en lid van U-center’s Wetenschappelijke en Klinische Adviesraad, gaat hieronder in discussie met Corstiaan Bruinsma, bestuurslid van de Stichting Benchmark ggz, dat toezicht houdt op de invoering van ROM.

Van Os behoort tot een groep van elf hoogleraren en hoofddocenten die in het maartnummer van Tijdschrift voor Psychiatrie forse kritiek uitte op de meetmethode. Zij vinden ROM een ongeschikte methode voor het benchmarken van ggz-instellingen, vooral als toekomstige prestatiebekostiging hierop wordt gebaseerd.

Financiering
De sector kwam vorig jaar na vele jaren gesteggel overeen dat instellingen ermaar zullen streven om dit jaar van 20 procent van hun patiënten de resultaten van de behandeling vast te leggen. Minister Schippers kijkt al verder en noemde ROM onlangs ‘op termijn een veel betere basis voor fi nanciering’ dan de Diagnose Behandeling Combinatie, die is gebaseerd op het aantal verwachte behandelminuten. De groep hoogleraren verzet zich tegen dat vooruitzicht en stelt dat het wetenschappelijk niet verantwoord is om te benchmarken met ROM-gegevens.

‘ROM vertroebelt meer dan het verheldert’

‘Benchmarking van zorgaanbieders in de ggz is een serieuze zaak. De potentiële gevolgen voor de economie en de gezondheidszorg zijn groot en vragen om wetenschappelijke precisie. En daaraan ontbreekt het ROM aantoonbaar, argumenteer ik met collegahoogleraren en hoofddocenten in het maartnummer van het Tijdschrift voor Psychiatrie. We wijzen in ons artikel ROM: gedragsnorm of dwangmaatregel op diverse bedenkelijke kanten aan de kwestie. In deze bijdrage beperk ik mij echter tot de belangrijkste methodologische problemen.’ ‘Laat er geen misverstand over bestaan. Ik ben een groot voorstander van het kwantitatief vastleggen van het ziektebeloop en het behandelresultaat van individuele patiënten. Dat is geheel in lijn met wat we beschouwen als moderne psychiatrische zorg. Met Routine Outcome Monitoring hebben zorgverleners een nuttig instrument in handen om die registratie en evaluatie uit te voeren. Het wordt echter problematisch wanneer de beleidsmaker de methode en het instrumentarium voorschrijft. Vooral wanneer de verzamelde data worden gebruikt voor prestatievergelijkingen tussen zorgverleners, en deze vergelijkingen de basis vormen voor financiering van de zorg. Daarmee gaat men voorbij aan ons stelsel van gedifferentieerde en getrapte zorg.’ ‘De methodologische problemen zijn evident. Men slaat geen acht op de invloed van casemix: de vertroebeling van vergelijking van prestaties door variabelen als diagnose, comorbidititeit, ervaring van de therapeut, aard van de therapie, geslacht of voorgeschiedenis. Men slaat evenmin acht op het probleem van mogelijke bias: zij die de data verzamelen, zijn ook degenen die door de verzekeraar financieel kunnen worden gekort als hun resultaten achterblijven bij het landelijk gemiddelde. Tot slot is ROM niet sensitief voor onderliggende somatische aandoeningen. Alleen de psychatrische component wordt gemeten.’ ‘De gemeenschappelijke wens om prestaties in de ggz te objectiveren, gaat op deze manier allerminst in vervulling. Het is irrationeel om de financiering van de ggz in de toekomst te baseren op een methode die meer vertroebelt dan verheldert.’

Prof. Dr. Jim van Os, hoogleraar Psychiatrische Epidemiologie en hoofd van de afdeling Psychiatrie en Psychologie van Maastricht University.

‘ROM is niet a priori ongeschikt als benchmark’

‘Al vóór de oprichting van Stichting Benchmark ggz (SBG) was er kritiek van belanghebbenden op ROM als methode voor benchmarking in de ggz. Naast de kritiek op de methode is er ook kritiek op de voorwaarden voor implementatie en het tempo waarin dat geschiedt. Het is goed om te zien dat er scherp gekeken wordt naar de ontwikkelingen in de richting van een transparante en resultaatgerichte sector. Dat is hard nodig.’ ‘De meest fundamentele kritiek op ROM komt van Jim van Os e.a. Hij stelt onder meer dat ROM methodologisch ongeschikt is om ggz-instellingen mee te vergelijken. SBG onderschrijft veel van de argumenten die hij daarvoor aandraagt. Ook wij zien ROM primair als instrument om het individuele behandelproces te ondersteunen. Ook wij achten het onzinnig om alle behandelingen of patiënten in de ggz over één kam te scheren. De doelstellingen van behandelingen lopen immers uiteen. We willen echter niet zo ver gaan als Van Os door te stellen dat ROM gegevens a priori ongeschikt zijn voor benchmarken.’ ‘Aan de ene kant is er de begrijpelijke terughoudendheid om een benchmarkinstrument in ontwikkeling te implementeren. Iedereen heeft behoefte aan betrouwbare, valide en bruikbare gegevens. ‘Tegelijkertijd is er de maatschappelijke verantwoordelijkheid om tot transparantie over de resultaten van de zorg te komen. In tegenstelling tot eerdere initiatieven is SBG een gezamenlijk initiatief van zorgaanbieders, zorgverzekeraars en het Landelijk Platform GGz (LPGGz) om op één van de kwaliteitsaspecten van de zorg te komen tot transparantie. Daarom vindt SBG het belangrijk dat wetenschap en het veld bij dragen aan de ontwikkeling van methodieken die recht doen aan de complexiteit van de ggz.’

Dr. Corstiaan Bruinsma, bestuurder van Lentis en lid van het bestuur van Stichting Benchmark GGz, dat toezicht houdt op de invoering van ROM door de ggz.


Andrea Wolf begint onderzoek naar actietendens en werkgeheugen onder cocaïneverslaafden

4 februari 2012

Een cocaïneverslaving is gedeeltelijk weg te trainen met simpele computertaken. Dat is de these van het onderzoek dat promovenda Andrea Wolf dit jaar uitvoert in U-center. Patiënten verzwakken hun actietendens en versterken hun werkgeheugen om meer grip te krijgen op hun verslaving.

Andrea Wolf borduurt met dit onderzoek voort op een recent onderzoek van prof. Reinout Wiers naar de ‘automatische processen’ in het brein. In de Berlijnse verslavingskliniek Salus bracht hij proefpersonen via de computer in aanraking met verwijzingen naar alcohol. Uit analyses van hun oogbewegingen werd opgemaakt dat ze als vanzelf naar het middel toebewogen. Om de ‘actietendens’ te trainen, kregen ze de taak om de verwijzingen naar alcohol met een joystick weg te duwen. De resultaten waren opzienbarend. Een jaar na behandeling was de successcore met 10 procent verhoogd.

Actietendens en werkgeheugen
Datzelfde onderzoek gaat Wolf nu binnen U-center uitvoeren met een groep proefpersonen die bestaat uit cocaïneverslaafden. Met een belangrijk extra element. Ze gaat óók het werkgeheugen van de proefpersonen trainen. ‘De studie bestaat uit twee elkaar aanvullende elementen’, vertelt Wolf. ‘De training van de “actietendens” is er op gericht de automatische neiging om cocaine te benaderen te verminderen. De training van het werkgeheugen moet de controlerende processen versterken.’ Volgens Wolf is uit onderzoek gebleken dat vooral adolescenten met een slechte werkgeheugencapaciteit hun drinkgedrag in grote mate laten bepalen door automatische processen, terwijl adolescenten met een goede werkgeheugencapaciteit voornamelijk doelbewust drinken. Wolf: ‘We denken dat we vergelijkbare resultaten kunnen behalen bij de training van cocaïneverslaafden.’

Comorbiditeit
Wolf kan binnen twee maanden van start met haar onderzoek. Wat zijn de uiteindelijke doelen? ‘We hopen tenminste dezelfde goede resultaten te bereiken als in het onderzoek van Reinout Wiers. Dat betekent een afname van de neiging om naar een middel toe te bewegen, en een verbeterde behandelingsuitkomst. Voor de wetenschap en voor U-center zal ook de aandacht voor comorbiditeit interessant zijn. Welke verschillen bestaan er en wat betekent dat? Maar het zou natuurlijk het mooiste zijn als we bij groot succes deze aanpak integreren in de behandeling.’

Waarom in U-center?
Andrea Wolf: ‘Voor een onderzoek als dit is het niet gemakkelijk om tot een goede groep proefpersonen te komen. Bij U-center is de doorstroom vanwege de korte en intensieve behandeling groot. Bovendien is de expertise met betrekking tot comorbiditeit - of dubbeldiagnose - groot. Het is voor het onderzoek zeer belangrijk om te weten welke verschillen er tussen proefpersonen spelen vanwege deze comorbiditeit.’


Slaaponderzoek met spectaculaire resultaten

22 mei 2011

Promovenda Dalena van der Kloet onderzocht binnen U-center de relatietussen slaap en dissociatie. Met tamelijk spectaculaire resultaten. ‘Als de slaap verbetert, nemen dissociatieve symptomen evenredig af.’

Dat er een correlatie is tussen slaap en dissociatie, werd al langer vermoed, maar was eigenlijk nooit volledig onderzocht. En al helemaal niet zo treffend als in het promotietraject Dissociatie en Slaap van Dalena van der Kloet, promovenda aan de Universiteit van Maastricht. Wanneer er sprake is van slechte slaap, treden bestaande symptomen als dagdromen, verstrooidheid, depersonalisatie en identiteitsproblemen, veel sterker op. Precies het tegenovergestelde vindt plaats bij goede slaap.

Nieuwe behandelmethode
Van der Kloet volgde voor haar onderzoek Dissociatie en Slaap een groep patiënten van U-center gedurende 8 weken. Ze waren niet op de hoogte van de hypothese en vulden vragenlijsten in bij aankomst en vertrek. De geregistreerde afname van symptomen was zeer groot, vertelt van der Kloet. ‘We kunnen stellen dat 44 procent van de afname van symptomen wordt voorspeld door slaapverbetering. De rest komt door een algemene afname van psychische klachten. Het is een heel interessante uitkomst, want de algemene opvatting onder clinici is dat dissociatieve symptomen grotendeels samenhangen met trauma. Dat ontken ik absoluut niet, maar uit ons onderzoek blijkt dat er met slaapverbetering op een relatief gemakkelijke wijze aanzienlijke resultaten kunnen worden geboekt. Het ligt voor de hand dat er wordt gezocht naar een nieuwe behandelmethode.’

Gericht beleid
De keuze voor U-center als onderzoekslocatie had volgens van der Kloet twee redenen. Eén: Van der Kloet’s promotor Harald Merckelbach is lid van U-center’s Wetenschappelijke Adviesraad. Twee: het slaapbeleid binnen de kliniek. Van der Kloet: ‘Slaap heeft prioriteit binnen U-center. Er is gericht beleid: niet sporten in de avond, geen cafeïne na de ochtend, niet vóór een bepaald tijdstip naar de kamer. Goede slaaphygiëne maakt het patroon stabiel, maar is in veel klinieken nog een ondergeschoven kindje.’ Als van der Kloet een aanbeveling zou moeten doen, dan zou ze tegen klinieken zeggen: kijk verder dan alleen cognitieve gedragstherapie. ‘Het loont de moeite om een integrale benadering te kiezen. Het levert veel gemakkelijke winst op.’

Bel
Voor telefonisch contact kunt u bellen met:

0800-222 444 6

Op werkdagen:  09-20.00
Op feestdagen: 10-18.00
 
Mail
Agenda

Weten of het klikt?

Ontmoet onze medewerkers en krijg zekerheid. Bezoek een van de voorlichtingsavonden of een open dag. Kies zelf het moment.

Inschrijven Open Dagen voor professionals

Voorlichtingsbijeenkomsten
voor cliënten
sluiten