Inleiding
Tijdens het verblijf in U-center worden de patiënten twee keer gevraagd een set van vragenlijsten in te vullen via de computer. De eerste meting vindt plaats tijdens het begin van de behandeling en de tweede meting tijdens het einde van de behandeling. Op deze manier is het mogelijk om de vooruitgang van patiënten op allerlei verschillende klachten en symptomen vast te stellen.
Binnen U-center verblijven patiënten met uiteenlopende problematiek, zoals
- depressie
- alcohol afhankelijkheid
- drugs afhankelijkheid
- burnout
- angst en trauma
- eetstoornissen
- etc.
Voor dit rapport hebben we gekeken naar de algemene indicatoren van welbevinden. Hierbij hebben we gebruik gemaakt van de BDI-II, een lijst die de mate van depressie meet en van de BSI (Brief Symptom Inventory) . Dit is de verkorte versie van de SCL-90. Met deze lijst kunnen 9 typen klachten worden geïnventariseerd: somatische klachten, cognitieve problemen, interpersoonlijke gevoeligheid, depressieve stemming, angst, hostiliteit, fobische angst, paranoïde gedachten en psychoticisme. Naast deze 9 typen klachten kunnen er ook 3 algemene scores worden berekend, een totaalscore, een score voor het totaal aantal klachten en een score voor de ernst van de aanwezige klachten.
Voor beide van deze lijsten bestaan gevalideerde normeringen, waardoor het mogelijk is om de scores van de patiënten in categorieën te plaatsen die de ernst van de problematiek weergeven.
In het eerste gedeelte van het rapport zullen de gemiddelde scores op de voor- en nameting op de twee lijsten worden weergegeven. Daarbij is ook de bijbehorende statistische toets vermeld en wordt er aangegeven of er sprake is van een significante verschuiving.
Cohen’s d[1] wordt gerapporteerd als een maat van effectgrootte. Bij een d van 0.20 spreken we van een klein effect, bij een d van 0.50 van een middelgroot effect en bij een d van 0.80 van een groot effect.
In het tweede gedeelte van het rapport wordt de verschuiving van patiënten binnen de verschillende normen weergegeven. Vervolgens worden ook de percentages van patiënten weergegeven die minstens 1 norm naar beneden verschoven zijn, gelijk zijn gebleven, of minstens 1 norm naar boven verschoven zijn. Bij de BSI is het ook mogelijk om na te gaan of er bij een patiënt ook echt een statistisch significante verandering is opgetreden. Voor de BSI zijn daarom ook de percentages patiënten die volgens deze norm verbetering, verslechtering of geen verandering hebben laten zien weergegeven. Let wel, dit is een wat strengere norm, waardoor over het algemeen de verbetering en verslechtering lager zal uitvallen. Dit is voornamelijk het geval bij de sub-schalen van de BSI, aangezien niet alle patiënten op alle sub-schalen hoog scoren. De veranderde score van patiënten die relatief al laag scoorden op een schaal bij de voormeting zal daarom meestal niet meer als statistisch significant worden aangemerkt.
In het rapport zijn de metingen van 458 patiënten meegenomen; 250 mannen en 208 vrouwen. Deze metingen vonden tussen mei 2009 en januari 2011 plaats. In het eerste gedeelte van het rapport worden telkens de gemiddelden over de hele groep gegeven. In het tweede gedeelte zijn de gegevens van de BDI-II voor de volledige groep weergegeven en voor de BSI is dit telkens per geslacht opgesplitst, aangezien er aparte normen zijn voor mannen en vrouwen binnen deze lijst. Bij de BSI kan men twee normengroepen hanteren, namelijk de (poliklinische) patiënten en de ‘Normalen’. In dit rapport zijn voor de BSI de normen voor (poliklinische) patiënten gehanteerd. Hiervoor zijn de herziene normen gebruikt, die in het addendum van de handleiding BSI (2009) zijn weergegeven Later zal dit nog verder uitgebreid worden met de normen voor ‘normalen’ .
Conclusie
Over het algemeen blijkt dat de patiënten die tussen mei 2009 en januari 2011 verbleven in U-center zowel op de BDI-II als op alle schalen van de BSI als groep significante vooruitgang lieten zien. Voor zeker 10 van de 12 schalen van de BSI geldt dat het groepsgemiddelde van ‘pathologisch’ naar ‘gezond’ verschuift. Bij de overige 2 schalen (angst en psychoticisme) blijkt dat het groepsgemiddelde de grens van ‘gezond’ benadert bij de nameting. Voor de BDI-II geldt dat het groepsgemiddelde van ‘matig ernstig’ depressief naar ‘minimaal’ depressief verschuift.
Dr. Janneke Giesen, Maastricht University
Prof. dr. Anita Jansen, Maastricht University
[1]Cohen’s d voor herhaalde metingen berekend volgens de methode van Morris & DeShon. Zie functie 6 in Morris, S. B., & DeShon, R. P. (2002). Combining effect size estimates in meta-analysis with repeated measures and independent-groups designs. Psychological Methods, 7, 105-125.